06 september 2012

Plaat van de maand (29)

De Spanningsblog besteedt met recensies, interviews en nieuws voornamelijk aandacht aan de hedendaagse thriller en de auteurs daarvan: Peter de Zwaan, R.J. Ellory, Linda van Rijn, noem maar op. De vroege Nederlandse misdaadroman is op deze site een ondergeschoven kindje. Maar verzamelaar Wim van Eyle biedt gelukkig uitkomst. Zijn rijke collectie aanschouwend richt Van Eyle eens per maand de schijnwerper op het werk van een - soms vergeten - Nederlandse misdaadschrijver uit vroeger tijden. Vandaag de negenentwintigste aflevering uit de serie Plaat van de maand. Over G.H. Priem, eigenlijk een grote onbekende...

LERAAR MET VOORLIEFDE VOOR DE LETTEREN

(Door Wim van Eyle)

Van G.H. Priem, die geboren werd in 1865 en overleed in 1933, is niet veel bekend. Ik ken zelfs zijn voornamen niet, al zou het best eens Gerardus Hendricus geweest kunnen zijn...

Aanvankelijk was Priem onderwijzer die een grote belangstelling voor de literatuur koesterde. Hij voerde een drukke briefwisseling met de grote literatuurkenner en criticus Albert Verwey (1865-1937). Verwey was een van de oprichters van het literaire tijdschrift De Nieuwe Gids (1885) en een ware representant van de Tachtigers. Zijn historische kennis van de literatuur (vooral Vondel) was grandioos en hij stond dan ook hoog aangeschreven.

Priem spiegelde zich aan Verweij en begon uit te blinken in het schrijven van sonnetten, gedichten en vertaalwerk. Al snel volgden romans waarbij zijn streekroman 'De doode' (1901) veel succes boekte. Ook waagde hij zich aan jeugdliteratuur, zoals de belevenissen van het straatjochie Piet Peul.


Priem schreef in De Gids (1891-1901) en in Onze Eeuw (1901-1918). Met zijn romans baarde hij opzien door als een van de weinigen frank en vrij te schrijven over schurken, gebochelden, onbeantwoorde liefde, reïncarnatie en zelfmoord. Het laatste item veroorzaakte nogal wat opschudding in het begin van de twintigste eeuw.

Zijn boeken werden al vrij snel minder populair en tegenwoordig zijn ze bijna niet om door te komen. Als ze al te vinden zijn.... Ik ben het helemaal eens met de twintiger-jaren criticus Herman Robbers die een aantal scherpe kanttekeningen maakte bij het werk van Priem. Zo vind ik zelf ook dat zijn romans een brave, bedaarde gemoedelijkheid uitstralen. Er wordt vaak gegrepen in de doos met psychologische analyses, de gesprektaal (veel dialogen) is stijf en traag, vaak is er nogal wat zielgepeuter (Robbers schrijft: 'het riekt naar de lamp', oftewel niet interessant), de taal is versleten, dor en duf, de retoriek is melodramatisch (de arbeider ligt rochelend op zijn bed en zijn dochtertje, gekleed in een wit jurkje, haast zich naar de keuken om een glas water
te halen...).


Veel gemeenplaatsen en toch, en toch was hij een van de weinigen die zo af en toe niet schuwde om de misdaad een rol te laten spelen, een zeldzaamheid zo tussen 1900 en 1930, Ivans daargelaten natuurlijk.

Fragment uit 'De doode':

In haar afwezigheid had Truitje het meel uit het ballenbusje over haar brood gestrooid en peuterde nu met haar vinger de laatste harde stukjes los.

Plotseling begon de zieke weer geweldig te hoesten. Bartje vloog op, bijna over den stoffer vallend, dien het meisje had laten liggen. Ze schopte hem terug. Truitje raapte hem haastig op en legde hem onder de kast bij het bakje met zand. De man in 't bed kwam haast niet tot bedaren; doodmoe viel hij eindelijk achterover. Toen hij wat bijgekomen was, zei hij buiten adem:

- Doe de gordijnen los, 't is hier zoo benauwd!

En de kamer inziende:

- Wie is dat?

Hij vroeg het angstig, als vreesde hij het antwoord.

- Dat is Truitje, vader, die eet haar boterham op.

Maar hij schudde het hoofd. Neen, ze zei maar wat; dat was Truitje niet.

Hij had duidelijk de witte kornet gezien, het lange bleeke gezicht van zijn vrouw herkend. Ze wou het hem niet zeggen. Och, en als ze maar dáar bleef, dáar.... want hij was nù bang voor haar. Eéns was hij de sterkste, nù was zij 't. Zijn vuisten, ook al hàd hij de kracht er in gehouden, zouden haar nù niet meer kunnen raken. Zij zou bij hem wezen, nu hij ging. Zij zou hem straks aanklagen.... voor den rechterstoel. Ze zou straks alles vertellen wat hij haar gedaan had.... Bartje wist het.... Bartje zag haar oók wel. Die was niet bang voor haar, die was altijd goed voor haar geweest. Maar Knelis - Knelis had hem meê geholpen, Knelis had óok schuld. 't Was nog maar een jongen geweest en hij had hem aangezet, maar gedaan had hij 't toch.... Was Knelis er maar! En weer staarden zijn oogen angstig naar het kind aan de tafel. Als ze maar dáar bleef, als ze maar niet nader kwam....

- Waar is Knelis? vroeg hij zacht.

- Die zal wel zoo terugkomen.

De zieke zweeg, wenkte met de hand, dat zij weg zou gaan.

Bartje liet de gordijnen los en trad weer op de tafel toe.

- Bartje!

- Ja, vader!

- 'k Ben zoo benauwd! Hier - brandt - 't zoo!



Bibliografie:
1901 'De doode' (uitgeverij C.L.G. Veldt)
1921 'De man zonder naam' (Eykenhof,heruitgave 1957)
1921 'De man van het huis Runsdale'(Cohen)
1921 'De geheimzinnige erfgename' (Cohen)
1927 'Het avontuur van Miss May Nail' (Waesberghe ook wel 'De jacht op den man')
circa 1928 'De man met den kaftan' (Bruna)
circa 1928 'De race met den dood' (Holl. Uitg. Maatschappij)
circa 1928 'De stomme passagier' (Holl. Uitg. Maatschappij)
circa 1928 'Op den Hilhuize' (Holl. Uitg. Maatschappij)
1930 'Het goud van den pharao'(Ned. Uitg. Maatschappij)

(Bron: Wim van Eyle, Google, dbnl)

Geen opmerkingen: