Posts tonen met het label Columns van overige auteurs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Columns van overige auteurs. Alle posts tonen

09 juni 2023

Desnoods Inez Weski op vrije voeten (column, 2023)


Echt, we kunnen veel meer 
 



(door Tomas Ross)

Ongetwijfeld is de Nederlandse (Nederlandstalige) thriller sinds enkele decennia stukken volwassener geworden. En beter. Althans in het algemeen. Minder piefpafpoef , inspecteur Snuf, Blonde Beppie en seriemoorden (ongeveer half Nederland moet inmiddels zijn uitgemoord).

Dat ik me wel eens kritisch heb uitgelaten over sommige vrouwelijke auteurs, betekent niet dat ik anderen niet met plezier lees (al worden er wel erg veel zusjes met een al dan niet duister verleden vermist). Corine Hartman, Anya Niewierra, Lieneke Dijkzeul, Anita Terpstra en Esther Verhoef kunnen zich met gemak meten met de grote buitenlandse collegae. En op de shortlist voor de Gouden Strop 2023 stonden vijf (mannelijke) schrijvers die internationaal vakwerk afleverden. Kwalitatief hebben we dus niet te klagen.

Echter (ja hoor, daar gaan we weer), populair als het genre is, die vijf verkopen hier samen stukken minder dan de nieuwe Baldacci, Nicci French, Lars Kepler of Karin Slaughter. In de Top 60 van de CPNB kom je hun boeken zelden of nooit tegen in tegenstelling tot de buitenlandse reuzen. Sowieso staat er vrijwel nooit een vaderlandse misdaadauteur in. Als het gebeurt, dan hoogstens enkele weken, met uitzondering van Thomas Olde Heuvelt (meer spannende fantasy en horror), Peter – ‘Baantjer’- Römer, Esther Verhoef en de onvermijdelijke Suzanne Vermeer en Linda van Rijn. En, toch verrassend, de genoemde Anya Niewierra.

Tegenwoordig word je al een bestsellerauteur genoemd wanneer je tienduizend exemplaren verkoopt

En waarom een Top Tien Spanning in het leven geroepen? Om toch maar in een lijstje te staan? Zo isoleren we ons zelf. (Dan kunnen we ADO ook de beste voetbalclub noemen. Ja, van Den Haag).

Oké, het is crisis in boekenland en tegenwoordig word je al een bestsellerauteur genoemd wanneer je tienduizend exemplaren verkoopt (voorheen minstens het viervoudige), maar de teneur is al jaren dezelfde in ons genre: voor uitgevers en boekhandelaren ligt de prioriteit vooral bij de grote buitenlandse namen. ‘We moeten wel, willen we blijven bestaan. En we jullie (Nederlandse schrijvers) kunnen uitgeven, c.q. in- en verkopen.’ Dat is een onloochenbaar feit, maar ook een vicieuze cirkel.

‘Koopt Nederlandsche waar, dan helpen wij elkaar’, luidde de reclameslogan tijdens die andere crisis, de wereldcrisis begin jaren dertig. Maar met zo’n slogan alleen schiet je niet op.

Wat bijvoorbeeld te doen?

Je moet de Gouden Strop niet tijdens een uurtje op een doordeweekse dag in een bibliotheekzaaltje uitreiken maar tijdens een avond in een chique gelegenheid zoals voorheen in de Rotterdamse schouwburg, het Amstelhotel, Frascati, De Rode Hoed, Felix Meritis. Zoals andere literaire prijzen die daar wel door uitgevers en CPNB worden georganiseerd.

Vroeger was het NOS Journaal er nog bij

Nodig daar als eregast(e) geen al dan niet bekende buitenlandse auteur voor uit (ze lachen zich krom in Stockholm) maar een aansprekende Nederlander (m/v). Een landelijk bekende politicus (m/v), acteur/actrice, tv-personality, het hoofd van de AIVD , desnoods Inez Weski nu ze weer op vrije voeten is. Je genereert er veel meer publiciteit mee. Geef die er ook aan, schakel je perscontacten in. Vroeger – toen lang niet alles beter was – was het NOS Journaal er nog bij, hadden landelijke dagbladen als NRC en de Volkskrant voorbeschouwingen, interviews met de genomineerden.

Uitgevers en boekhandelaren zouden de genomineerde boeken enkele weken voor de uitreiking moeten promoten. Zij zijn aangesloten bij de CPNB, de P staat voor Propaganda. Wel voor de Boekenweek, voor de Publieksprijs, voor de Kinderboekenweek, waarom niet net zo intensief en met aandacht voor de Nederlandse auteurs in het o zo populaire genre Thrillers en Detectives. Hup, leg in die Thrillerweken vaderlandse thrillers in de etalage, plaats advertenties voor de titels, dat heeft veel meer effect dan een als stofzuigervertegenwoordiger rondreizende misdaadauteur naar dertig luisteraars in lokale bibliotheken, die tijd is echt voorbij.

Breng tijdens de Thrillerweken het geschenkboekje weer terug, geschreven door een Nederlandse misdaadauteur (m/v). En als je het dan wilt laten samenstellen door een BN’er, dan door Barry Atsma (‘de nieuwe 007’), John van den Heuvel of desnoods Inez Weski nu ze weer op vrije voeten is, maar niet weken later door Matthijs van Nieuwkerk of Anna Drijver met verhalen van Heleen van Royen en Maarten Biesheuvel. Of erger.

Waarom kunnen de Denen en Noren het wel en wij niet? 

Uitgevers moeten qua marketing en betaalde promotie veel meer aandacht (lees: geld) besteden voor hun Nederlandse auteurs, met name hun debutanten. Zo creëer je een kweekvijver voor talent (zie de Scandinaviërs). Baldacci verkoopt toch wel, Esther Verhoef ook, maar John Kuipers of Gerrit Barendrecht niet, ondanks lovende recensies en respectievelijk hun Gouden Strop en de Hebban Thrillerprijs.

Stimuleer als GNM (Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs) meer aandacht in de boekenbijlagen van de dag- en weekbladen. Nu is dat af en toe een rubriekje en dan nog over een onbekende Japanse of Finse auteur (de Volkskrant). In de boekenbijlage van die krant van 13 mei stonden 2,5 pagina’s interview met drie Spaanse auteurs die als schrijfster Carmen Mola een bestseller schreven, een stuk over het nieuwe boek van de Amerikaanse Rebecca Makkai. En in een klein kadertje iets over de Thrillerweken. Volgend jaar bij de Spaanse thrillerdagen in de krant El Pais komt een dubbelinterview met Willem Asman en Tomas Ross. En gij gleuft het.

Bij het GNM zijn ook recensenten aangesloten en journalisten die thrillers schrijven. Hetzelfde geldt voor de redacties van tv- en radioprogramma’s. Anna van den Breemer (Het Perfecte Zusje), Volkskrant-journaliste en getrouwd met Özkan Akyol (Eus Boekenclub) kan goed werk verrichten. Zelf werd ik na kritiek op het elitaire karakter van Brommer op Zee uitgenodigd voor het programma.

En tenslotte, het GNM kan veel meer doen dan een jaarlijkse vergadering (statuten, notulen en rondvraag) en een verwaterd Mystery Dinner uitsluitend voor leden te organiseren. Hebban en Zoetermeer (Nederlands Thrillerfestival) doen hun best maar in tegenstelling tot Duitsland, het VK of de Scandinavische landen hebben we geen spectaculair Crime Festival. Organiseer dat enkele dagen, reik dan de Gouden Strop uit, gooi er een paar populaire bands tegen aan, vertoon Nederlandse misdaadseries, ook die zijn beter dan ooit, nodig de acteurs uit, laat desnoods Inez Weski op vrije voeten presenteren.

Waarom kunnen de Denen en Noren het wel en wij niet?

Echt, we kunnen veel meer.

En veel beter.

(Deze bijdrage van drievoudig Gouden Stropwinnaar Tomas Ross stond eerder op Hebban.nl) 

10 oktober 2021

Wat essentieel is.... (column, 2021)


Aandacht 
 



(Door Sander Verheijen)

Er is weer een relletje in thrillerland. En guess what, het gaat wéér over de Gouden Strop. Dit keer gaat het niet over het bestaansrecht, de sponsor, de jury, de shortlist, de uitreiking of de winnaar. Zelfs niet over Saskia Noort of Tomas Ross. Huh wat, zul je nu denken. Waarover kunnen we het nog meer niet eens zijn? De Gouden Strop zou de Gouden Strop niet zijn als dáár niks voor bedacht kon worden. En Peter Kuijt zou Peter Kuijt niet zijn als hij er niet als de kippen bij zou zijn om haarfijn uit te zoeken wat het Nederlandstalige thrillerschrijversgilde van die ophef vindt, met een wedstrijdje voor - tegen. De tussenstand op dit moment: 5-1.

Wat is er aan de hand: de Gouden Strop heeft een nieuwe sponsor (NBD Biblion) én meldde in de slipstream van de bekendmaking daarvan dat het werk van Vlaamse en Nederlandse thrillerauteurs die uitgegeven worden bij een niet-Nederlandse uitgeverij wordt uitgesloten.

De reden zou zijn dat Vlaamse winnaars in Nederland (en trouwens ook vice versa) eigenlijk amper profijt hebben van het winnen van de Gouden Strop. Daarbij moet gezegd worden dat de Gouden Strop in de algemeenheid al jaren niet echt meer zorgt voor een groot effect op de verkoop, maar dat is een symptoom van vrijwel alle literaire en niet-literaire boekenprijzen. In Nederland de Libris Literatuur Prijs uitgezonderd. Maar dat is ook de enige prijs met - naast historie, prestige en een hoog geldbedrag voor de winnaar - een goed doordacht marketingplan en een 100% match met meer dan honderd Libris boekhandels. Het Ajax onder de boekenprijzen. On-Nederlands goed georganiseerd. Ik dwaal af. De Gouden Strop heeft dus om het effect ervan in Nederland te vergroten besloten om België uit te sluiten. Hadden ze dat nou twee jaar geleden gedaan…

Alle gekheid op een stokje. De Stichting Gouden Strop mag natuurlijk haar eigen voorwaarden bepalen en herzien wanneer ze dat wil. Omdat iets altijd zo geweest is, is geen reden om het niet te mogen veranderen. De Gouden Strop is een bekroning van het beste Nederlandstalige misdaadboek. En de wisselende jury heeft als taak boeken op die grond te beoordelen. Kwaliteit dus. Niet op de kans op verkoopbaarheid, want, laten we eerlijk zijn, dát is een van de taken van de uitgever.

Als mogelijk verkoopsucces de belangrijkste doelstelling is van de Gouden Strop dan is het begrijpelijk dat thrillers van Vlaamse makelij niet meer mee mogen doen. Maar als je er zo naar kijkt kun je ook stellen dat thrillers verschenen bij hele kleine uitgeverijen, hoe goed ze misschien soms ook zijn, natuurlijk ook minder kans maken op verkoopsucces dan die zijn verschenen bij de grotere uitgeefhuizen.

Als het gaat om verkoopcijfers zou je voor de zekerheid zelfs alle mannelijke auteurs kunnen uitsluiten, want kijk eens naar de Bestseller 60. Naast Jeroen Windmeijer heb ik de afgelopen tien jaar zelden een Nederlandse mannelijke thrillerschrijver in de lijst gezien. Tel uit je kansen als je een vrouw met de Gouden Strop naar huis laat gaan. Een thrillerschrijfster, bij voorkeur met een bekende naam en een grote uitgeverij met marketinggeld en een geoliede marketing en PR-afdeling. Verkoopsucces verzekerd en Saskia Noort is ineens een van de grootste kanshebbers.

Maar gelukkig krijgt de jury van de Gouden Strop, net als de jury van de Hebban Thrillerprijs en de Libris Literatuurprijs, de opdracht te zoeken naar het béste boek. Het beste spannende boek in hun geval. En laten we dat alsjeblieft zo houden.

De beslissing van de Stichting Gouden Strop had helemaal niet moeten gaan over de verkoopbaarheid van Vlaamse titels in Nederland, maar over die andere doelstelling van de Gouden Strop: de Nederlandstalige thriller onder de aandacht brengen van een groot publiek op een serieus podium. Een podium waarbij een jury met experts uitlegt dat de Nederlandse thrillerschrijver echt wel in staat is te concurreren met zijn of haar buitenlandse collega’s. Een juryvoorzitter die begint met het vertellen hoeveel crap ze hebben gelezen en redacteuren toefluistert dat ze echt beter hun werk moeten gaan doen, zoals een paar geleden nog vrij gebruikelijk was, helpt daarbij bijvoorbeeld niet.

Maar als het om de publiciteit gaat kunnen we feitelijk wél vaststellen dat de Nederlandse media niet echt warm lopen voor een niet-Nederlandse (lees: Vlaamse) winnaar.

Met dát in gedachte begrijp ik de beslissing wel, zeker als je je ook realiseert dat de nieuwe sponsor waarschijnlijk niet zoveel te zoeken/winnen heeft in België en natuurlijk ook vooral gebaat is bij een goede media-coverage in eigen land. Het is misschien zelfs wel een voorwaarde voor de sponsoring geweest.

Ik ben niet voor of tegen het besluit. Ik kan hem wel begrijpen met de hierboven genoemde argumenten. Maar ik vind het wel jammer. Volgens mij is het namelijk veel leuker als jouw thriller het wint van álle Nederlandstalige thrillers in dat jaar.

Alles valt of staat met aandacht. Aandacht voor Nederlandse thrillerprijzen, de genomineerden en de winnaar betekent aandacht voor Nederlandstalige misdaadliteratuur. Met aandacht maak je iets belangrijker. Iets wat belangrijk lijkt heeft potentie om als essentieel gezien te worden. En wat essentieel is, dat willen we niet missen. De Gouden Strop en de Hebban Thrillerprijs zijn niet meer dan tools om dat ooit te bereiken, maar dan moeten 'we' er wel een keer mee ophouden elke jury, elke nominatie en elke winnaar in twijfel te trekken. Want prijzen waar het gilde zelf al niet in gelooft hoe kunnen we daar de media, de boekhandel en zelfs de lezer ooit warm voor krijgen?


Sander Verheijen (1974) stond aan de wieg van de thrillersite Crimezone. Sinds 2014 is hij hoofdredacteur en general manager van de lezerssite Hebban.nl. Onder zijn eigen naam schreef hij het boek Ik kan er net niet bij. Onder het pseudoniem Jens Vern debuteerde hij in 2020 als thrillerauteur met De macht van K. Dat boek belandde op de shortlist van de Gouden Strop 2020. Op 2 november verschijnt bij uitgeverij Volt zijn tweede thriller, Nevenschade.

21 april 2021

Fair share (column, 2021)

Mijn naam is Brandt, Tom Brandt  




Ik krijg wel vaker e-mail via het contactformulier op mijn auteurspagina, maar deze keer is het wel een heel bijzonder bericht.

Beste Frank,

Onlangs ben ik erachter gekomen dat er boeken worden uitgegeven over een hoofdpersoon met mijn exacte voor-/ en achternaam.

Ik vind dit erg vervelend en was hier graag van tevoren van op de hoogte gebracht.
Dit is niet gebeurd, dus hoor ik graag van je hoe we dit op kunnen lossen.

Met vriendelijk groeten,

Tom Brandt


In eerste instantie schiet ik in de lach en check het mailadres. Welke grappenmaker stuurt mij dit bericht? Vervolgens bekruipt me toch een ongemakkelijk gevoel. Heb ik identiteitsroof gepleegd door zomaar iemands naam te gebruiken in een thrillerreeks?

Hoewel ik het vooral als een probleem van Tom Brandt zelf beschouw, blijf ik toch hangen op de laatste woorden: ‘hoe we – meervoud – dit op kunnen lossen’. Zo word ik opeens mede-eigenaar gemaakt van Tom Brandt zijn probleem.

‘Stuur Tom Brandt op hem af’, krijg ik als tip. ‘Die weet zich altijd uit de meest penibele situaties te redden.’ Eenvoudig gezegd, maar als geestelijk vader van Tom heb ik hierin natuurlijk een eigen verantwoordelijkheid.

En aan wat voor oplossing zou Tom Brandt denken? Stuurt hij aan op een afspraak om dit uit de wereld te helpen? Stelt hij dan voor dat ik de Tom Brandt-boeken uit de winkel laat halen? Moet ik Tom laten vermoorden in een volgend boek? Verwacht hij een koffer vol bankbiljetten voor zijn fair share van de royalty’s? Of wordt het een ontmoeting in een uithoek van het Westelijk havengebied, waar ik in een martelcontainer onder dwang van een vuurwapen mijn eigen laptop met het volgende Tom Brandt-manuscript moet vermorzelen met een voorhamer. Ja, als thrillerauteur heb je maar een kleine aanleiding nodig om een compleet horrorscenario voor je te zien.

De zaak-Tom Brandt blijft lastig. Stiekem hoop ik dat de kwestie niet in der minne geschikt wordt en er een rechtszaak volgt. Dat zou publicitair natuurlijk geweldig zijn. Voorlopig laat ik het bij het volgende antwoord:


Geachte heer Brandt, beste Tom,

Wat een toeval dat uitgerekend uw voor- en achternaam gebruikt zijn als hoofdpersoon in een reeks boeken van mijn hand. Ter geruststelling, de boeken zijn fictie en de betreffende Tom Brandt staat in geen enkele relatie tot uw persoon. Evenmin als de tientallen andere Tom Brandts die op Linkedin en Facebook te vinden zijn in onder andere Nederland, Engeland, Duitsland, Zweden en de VS.

Tja, de combinatie van Tom en Brandt als exacte voor- / achternaam komt toch vrij vaak voor. Vandaar ook dat auteurs bij het gebruik van namen in fictieboeken niet aan enige vorm van inspraak, goedkeuring of kennisgeving gebonden zijn. Het zou auteurswerk onmogelijk maken. Stel dat ik een personage: Willem de Vries zou noemen. In uw optiek zou ik dan waarschijnlijk meer dan duizend mensen vooraf om goedkeuring moeten vragen. U zult begrijpen dat dat niet kan.

Uit uw mail kan ik overigens op geen enkele wijze afleiden dat u daadwerkelijk Tom Brandt bent. Iedere grappenmaker kan een gmail-adres aanmaken, in uw geval met (gefingeerd, FvZ) 'xyz001' en mij een mail sturen. Voor uw vraag is het verder niet relevant, maar het illustreert wel de onmogelijkheid om vooraf mensen te informeren.

Mocht u ondanks mijn toelichting het vervelend vinden uw naam tegen te komen in een boek, dan adviseer ik u de boeken vooral niet te lezen. Dat lijkt me de beste oplossing.

Hartelijke groet,
Frank van Zwol

28 januari 2021

Bruine boterhammen met appelstroop (column, 2021)


Wat is literatuur 
 



(Door Jacob Vis)

‘Wat is literatuur?’ vroeg een van mijn klasgenoten op het Coornhertlyceum een pensioenleeftijd geleden aan de kandidaatsstudent die de zieke leraar Nederlands verving.

‘Tja, daar kan niet zo maar antwoord op geven,’ zei de jongen. ‘Wat denken jullie zelf?’

‘Dick Bos,’ riep iemand.

‘Erik de Noorman,’ zei iemand anders.

‘Joop ter Heul,’ zei een van de meisjes.

‘Tom Poes,’ zei ik.

‘Jullie hebben allemaal een beetje gelijk,’ zei onze instant-leraar toen het geroezemoes in geschreeuw dreigde te ontaarden. ‘Maar niet helemaal.’ Hij moest zijn stem verheffen om er bovenuit te komen. Ik zie hem nog staan in zijn gekreukte colbertje, met dat ijzeren brilletje op het spitse gezicht dat hem een beetje op Isaak Babel deed lijken, een hand omhoog terwijl hij met de andere hand een dun boekje uit zijn tas haalde. Hij sloeg het middenin open en begon voor te lezen. ‘Luister maar. Het is van Nescio en het heet De Uitvreter.’

Binnen een minuut was de klas muisstil. Hij had een goede dictie en omdat hij het verhaal bijna uit zijn hoofd kende zag je al aan zijn gezicht wat er ging komen. Het uur vloog om. Toen de bel ging maakte niemand aanstalten om op te staan.

‘Moeten jullie niet weg?’ vroeg hij.

‘Nee meneer, lees alstublieft door,’ smeekte het mooiste meisje. Weersta dat nou eens als jonge leraar. Dat deed hij dan ook niet en hij ging verder met het verhaal over die wonderlijke kerel. De leraar aardrijkskunde van wie we het volgende uur les hadden kwam op zijn tenen de klas binnen, gebaarde naar zijn jonge collega om vooral door te gaan en ging achter in de klas zitten. Net voor het einde van volgende lesuur was het verhaal uit. We barstten los in een spontaan applaus. De student bloosde en boog, een tikje onhandig, maar duidelijk in zijn sas met het succes. ‘Dat is nou literatuur,’ zei hij. ‘Volgende week zal ik een ander verhaal van hem voorlezen.’ Het klonk alsof hij ‘hem’ met een hoofdletter uitsprak.

Waarom vertel ik dit verhaal? Ruim vijfenzestig jaar later zijn we het er nog steeds niet over eens wat literaire kwaliteit is. In haar recensie voor NRC/Handelsblad prees Elsbeth Etty in 2009 de nieuwe roman van A.F.Th ter Heijden de hemel in. Ze schreef dat ze niet kon wachten op het vervolg dat ongetwijfeld een nieuw hoogtepunt in de hedendaagse Nederlandse romankunst zou worden.

Jaap Goedegebuure schreef in de GPD-bladen dat hij het een mislukt boek vond waarin hij naast ‘kervende passages en beklemmende scènes duizenden plassen oeverloos, zich herhalend palaver’ had aangetroffen.

Twee hoogleraren literatuurkritiek c.q. moderne Nederlandse letterkunde die totaal verschillend oordelen over de een van de belangrijkste literaire gebeurtenissen van het jonge jaar 2009. Je vraagt je toch af wat de grondslagen zijn van hun vak en wat ze hun studenten leren. Als ze allebei beoordelaars voor het Letterenfonds zouden zijn (en godverdomme, misschien zijn ze dat ook wel!) en over een aanvraag van A.F.Th moesten adviseren dan zou Etty hem een jaar in een Amstelachtig hotel gunnen waar het hem aan niets zou ontbreken, terwijl Goedegebuure hem hooguit een weekje in het Biovakantieoord zou toestaan waar de auteur op een dieet van bruine boterhammen met appelstroop het gruis uit zijn manuscript mocht vegen.

Had Karel van het Reve dan toch gelijk toen hij de literatuurwetenschap in zijn Huizingalezing als ‘Het raadsel der onleesbaarheid’ met de grond gelijk maakte?

19 januari 2021

Ondergesneeuwd (column, 2021)


Kneitergoed?
   



(Door Tomas  Ross) 



Slecht nieuws: de weken van het Spannende Boek worden gereduceerd tot een week. Maar niet getreurd, meldt De Spanningsblog, ook goed nieuws : er is een ‘kneitergoede auteur’ gestrikt om het geschenkboekje te schrijven en wel de Noorse bestsellerschrijver Jo Nesbø. ‘Een wereldprimeur.’

Godallemachtig, een Noor, we mogen wel in onze handjes knijpen, zo lijkt het, wij hier in dit landje waar nooit wordt geliquideerd, geen Russische spionnen rondlopen, geen Europol achter Taghi’s aanjaagt of in stukken gezaagde lijken van politie-informanten worden gevonden, geen Colombiaanse en Mexicaanse drugbendes opereren, nooit meisjes worden vermist , kinderen worden vermoord, ambtenaren corrupt zijn of miljoenen worden witgewassen.

Wel brigadier Bromsnor die hoofdschuddend een bonnetje uitschrijft wegens fout parkeren. Geen wonder dat onze misdaadliteratuur niets voorstelt en we ons gelukkig mogen prijzen veilig bij de snorrende kachel van zo’n prachtige buitenlandse bestseller over al die gruwelijk spannende misdaden ver van ons bedje te kunnen genieten.

Jo Nesbø is inderdaad een goed auteur maar daarom is het nog geen goed nieuws. Integendeel. Want ook die ene armzalige week is, net als ooit de Maand en nadien de Spannende Boeken Weken, bedoeld als promotie voor de Néderlandse of voor mijn part Nederlandstalige misdaadroman, Met die opzet begonnen we er als Genootschap en CPNB ook eind jaren 80g mee, juist ook om de overstelpende concurrentie van al die ‘kneitergoede’ buitenlanders in te perken. En in tegenstelling tot dat cynische zinnetje hiervoor, we hadden en hebben zelf ‘kneitergoede’ auteurs.

Je kunt je toch ook niet voorstellen dat ze in Oslo, Stockholm, Londen of New York om meer aandacht te genereren voor het genre een Nederlandse auteur uitnodigen een geschenkboekje te schrijven. Terecht natuurlijk, dat is geen benauwd chauvinisme maar je gaat ook niet ter promotie van Limburgse wijn monsieur St. Emilion met zijn Grand Cru uitnodigen.

De Nederlandse misdaadliteratuur wordt toch al jaren en jaren ondergesneeuwd door de buitenlandse hypes. Mogen we dan één keer per jaar aandacht vragen voor onze eigen auteurs die bovendien echt niet slechter schrijven dan hun Noorse of Amerikaanse collegae, enkele uitzonderingen daargelaten, en rotzooi wordt helaas overal gepubliceerd.

Ik herinner me nog goed dat ik dat eerste geschenkboekje mocht schrijven, Mode voor Moskou, 1989, waarvoor de CPNB zich hartstochtelijk in zette met reclamecampagnes met zelfs een week lang elke avond een gedramatiseerde scène met Ischa Meijer op NOS-tv. ‘Koop Hollandse waar.' Kom er nog eens om.

Ik herinner me net zo hard mijn woede toen de toenmalige directeur van de CPNB, Henk Kraima, buiten ons om besloot om na het tweede boekje, geschreven door Kees Jansma, een buitenlander te vragen, Frederick Forsyth. Ook ‘kneitergoed’ maar dát was toch GVD niet de bedoeling ? En die afgelopen twee jaar gingen toch zo goed?

’t Was aan dovemansoren besteed. De negen jaren erop: Forsyth, Stephen King, Dick Francis, Robin Cook, Dean Koontz, Elizabeth George, Phillip Margolin, Minette Walters en David Baldacci. Nederland blies een partijtje mee, maar niet heus. Pas nummer 12 was weer Nederlands, Rinus Ferdinandusse. Zijn boekje was niet voor niets getiteld Dovemansoren. Met Nesbø zometeen meegerekend 32 boekjes waarvan er slechts dertien van twaalf Nederlandse auteurs (ik mocht twee keer. Hiephoi.).

‘We hebben zelf te weinig populaire schrijvers', zei Kraima. Tja, dan moet je dus vooral buitenlanders gaan promoten, logisch. ’t Was ook niet waar. Ik stelde Baantjer voor, verkocht toch iets beter dan Margolin of Walters, maar nee, Appie was van mindere kwaliteit. Godsamme, alsof sommigen van die buitenlanders geen flauwekulverhaaltje hadden afgeleverd ! Negentien Britse, Amerkaanse, Italiaanse en Scandinavische dames en heren ter promotie, het heeft geholpen, zie de verkoopcijfers van hun Hollandse collega-auteurs.

En nu, na eerst een Maand en dan een paar weken één schamele week. De goudprijs stijgt hemelhoog maar de Gouden Strop levert nauwelijks nog een herdruk op. Nu ook een Zilveren Strop, de waarde van het metaal daalt navenant. Naar koper? Zink?

En Jo Nesbø. Ik lees hem graag, ik gun het mijn uitgever Cargo, en zeker ook de boekhandelaar in deze barre tijden, maar ik heb wel eens beter nieuws gehoord.

Tweeëndertig jaar geleden.

22 december 2020

Basale hap (column, 2020)


Broodje kaas   
 



(Door Isa Maron)

Een tijdje terug las ik een interview met een gewaardeerde collega. U kent hem vast wel, René Appel.

‘Er verschijnt de laatste jaren wel een onwaarschijnlijke hoop rotzooi', stelt de interviewer.

‘Verschrikkelijk', antwoordt de thrillerschrijver. ‘Dat is waar. Dan lees ik tien pagina’s en denk ik: de setting klopt niet, de dialogen kloppen niet, de personages zijn raar. Geforceerd moet er een misdaad of wat dan ook in. Er verschijnt veel pulp. Vroeger gold ‘pulp’ wel als een geuzennaam, maar als er te veel van is, werkt het alleen maar verstikkend. Slecht voor het genre, slecht voor de boeken die ertoe doen.’

Ik moest er even over nadenken.

Rotzooi. Verschrikkelijk. Pulp. Verstikkend. Slecht voor het genre.

Is dat zo?

Is het slecht dat er broodjes kaas bestaan? Natuurlijk kun je genieten van een heerlijk belegde plak van een met de hand gekneed zuurdesembrood, belegd met een laag zelfgemaakte hummus, zorgvuldig gesneden reepjes biologische avocado, met een handje in de vensterbank gekoesterde alfalfa. En niet voor niets gaat een grote groep mensen regelmatig eten bij een bijzonder restaurant (nou ja, normaal gesproken dan…) waar aan sterren grenzende gerechten worden geserveerd.

Maar dan maandagmorgen. We moeten de deur uit. De maag rommelt. We maken snel een broodje kaas. Want we hebben niet altijd zin om uren in de keuken te staan, en elke hap heel bewust vijftig keer te kauwen en ons te realiseren waar elk ingrediënt vandaan komt, hoe het is vervaardigd en hoe mooi en speciaal het is. We hebben honger!

Wtf is er dan mis met een broodje kaas?

‘Waarom wil ik dit eigenlijk lezen?’ vraagt Marjan Slob, filosoof en analist van technologie en beeldcultuur, zich af in haar boek Foute fantasieën, over de bevrediging die zij haalt uit het lezen en herlezen van de Bouquetreeks. Even later schrijft ze: ‘Wat de heldin in deze man ontmoet, is wat filosofen het sublieme noemen.’

Volgens mij is dat met een thriller niet anders. Vanuit onze veilige leesstoel willen wij iets ervaren wat groots is, en anders. We willen een venster, zegt Marjan Slob als ze over romantische fictie praat. Een blik op een ontzagwekkend andere wereld, die je een vreemd gevoel in je maag bezorgt. ‘Mooi is het niet wat je ziet. Overweldigend komt meer in de buurt. Overweldigend en heerlijk. Heerlijk en gevaarlijk. Heerlijke horror. Verschrikkelijke vreugde.’

Bij de behoefte aan zo’n gevoel duiken mannen graag in een spionagethriller. Of iets met oorlog. Undercover. Niet dat vrouwen dat niet leuk vinden, trouwens. Vrouwen duiken op hun beurt graag in een spannend verhaal over een vrouw die in problemen raakt. Niet dat mannen dat niet leuk vinden trouwens.

Het een is het ander. Allemaal broodjes kaas. En soms een goed opgetuigde hamburger. Je kent dat wel, met augurk, plak gesmolten kaas en een reep bacon. Zo’n overweldigende, basale, verschrikkelijk heerlijke hap. Ontzagwekkend lekker.

Is het slecht voor de betere restaurants dat er ook broodjeszaken zijn? Lijkt me niet. Ik moet er niet aan denken om elke dag een Michelin-maaltijd op mijn bord te krijgen. Er is ruimte voor en behoefte aan vele smaken.

Dus René Appel schrijft sterrenmaaltijden. Ze zijn heerlijk. Volgens hemzelf ver verheven boven de broodjes kaas en hamburgers. Maar er zitten nog maar zo weinig mensen in zijn restaurant, klaagt hij. Veel te veel mensen houden van broodjes kaas en heerlijke hamburgers.

Tja, collega, het is jammer. Soms moet je gewoon even door de zure appel heen bijten. Het is wat het is.


Het interview in de Volkskrant met René Appel: ‘Een verhaal móét uit de hand lopen. Anders is het niet leuk’ | De Volkskrant

15 december 2020

Over de kunst van het schrijven (column, 2020)





The spy who came in from the cold  



(Door Jacob Vis)

In 1988 bezocht ik met mijn broer Dick het toenmalige Oost-Berlijn dat stevig van de bewoonde wereld was afgesloten met de Muur. Het was een buitengewone ervaring. De vorige dag hadden we de jaarlijkse autoshow in West-Berlijn bezocht, waar de ene glanzende bolide naast de andere stond en waar je op de gangpaden kon lopen over de hoofden van de bezoekers.

Nu deden we hetzelfde in Oost-Berlijn. Hier stond slechts één auto, een vierdeurs Trabant, het enige model dat je destijds als Oost-Berlijner kon aanschaffen, als je geld, geluk en connecties had. Dat waren er maar weinigen. Er waren ook weinig bezoekers die om het autootje heen stonden en af en toe voorzichtig een vinger uitstaken om het doffe lak aan te raken. Wat ging er door die mannen heen?

Hoewel de Muur een jaar later zou vallen was er toen nog niets dat wees op detente, integendeel: de stad bood een uitgesproken unheimische indruk. De mensen waren aardig en als ze het gevoel kregen dat ze vrij konden praten, waren ze zelfs heel aardig en bereid je alles te laten zien wat je wilde zien.

En er was genoeg te zien, al hadden de gebouwen de bekende hoekige stijl van alle bouwwerken in het Oostblok. Maar het Pergamonmuseum was indrukwekkend en voor ons, verwende westerlingen, spotgoedkoop. Alles was goedkoop in Oost-Berlijn, maar veel was onbereikbaar. De bussen waren zo vol dat de passagiers in trossen op de treeplanken stonden, zodat we die dag veel gelopen hebben.

Aan het eind van de dag wilde ik als een soort bedevaart terug via Checkpoint Charlie dat destijds nog in vol bedrijf was. Terwijl een minzaam grijnzende Cerberus onze passen controleerde en alles gebeurde in de stijl die ik me herinnerde van het derde meesterwerk van John le Carré, besefte ik: dit is de plek waar Alec Leamas is doodgeschoten – de hoofdpersoon in het boek dat al in 1968 diepe indruk op me maakte.

Je kon je er alles bij voorstellen hoe dat is gegaan. Zeker toen een bewaker met een nazipet en een indrukwekkende revolver mijn broer (die er nog Indischer uitziet dan ik) uit de rij plukte voor ‘nader onderzoek.’ Ik werd kwaad en liet dat duidelijk blijken, waarop een Oost-Berlijner me op de schouder tikte en zijn vinger op de lippen legde. Niet doen, zei hij geluidloos, dit is alleen maar machtsvertoon.

Ik kalmeerde en verdomd, twintig minuten later kwam broer Dick onbeschadigd terug. Hier stierf Alec Leamas, dacht ik weer terwijl ik nagelbijtend op hem wachtte en het werd me koud om het hart.

Zijn schepper is dood. John le Carré werd 89. Hij heeft in zijn lange schrijversleven een onuitwisbare indruk gemaakt op iedere thrillerschrijver. Hij was voor ons allemaal een voorbeeld. Niet alleen vanwege de meesterlijke constructie van zijn verhalen, maar vooral door de onvergetelijke karakters die hij schiep. Ik herinner me dat Renate Rubinstein in VN een sneer gaf over zijn stijl – een opmerking die me zo kwaad maakte dat ik een boze ingezonden brief schreef die VN niet plaatste, vermoedelijk omdat de toon te scherp was voor La Rubinstein.

Renate, ook jij bent allang dood, maar ik hoop dat je in het hiernamaals eens een praatje kunt maken met David Cornwell over de kunst van het schrijven. Kun je nog iets van leren.

10 december 2020

Wat is waardevol? (column, 2020)


Andere koek



(Door Tomas Ross)

Een canon van de Nederlandstalige misdaadliteratuur. Tja. Volgens Van Dale is een literaire canon ‘een verzameling van literaire werken, die in een samenleving als waardevol erkend worden en dienen als referentiepunt in de literaire beschouwing en in het onderwijs’.

Peter de Zwaan vergist zich dus in zijn column Te Pletter, wanneer hij het heeft over ‘de beste misdaadroman’. Dat zou slaan op een voorkeurslijstje, al komt dat pretentieuze voorstel tot een ‘canon’ van Hebbans’ ‘lezerscommunity’ (heregod) daar wel op neer. Thrillerauteurs, recensenten, boekverkopers en ‘andere thrillerexperts’, vervolgens ook lezers, wordt immers gevraagd naar hun vijf favoriete thrillers. Naar hun persoonlijke voorkeur dus waarvan het maar zeer de vraag is waarom die favorieten als waardevol in de samenleving erkend zouden zijn.

Zo miste De Zwaan in een vorige ‘canon’ de auteur H.J. Oolbekkink, schrijver van, als je het mij vraagt, tientallen ongeloofwaardige en karikaturale romannetjes die Oolbekkink zelf ook niet serieus nam. Ik ga het hier niet over het onzinnige onderscheid tussen literatuur en lectuur hebben, maar ‘waardevol in de samenleving’ waren en zijn de avonturen van agent Glotz en Tim Spender niet.

In een canon gaat het nu juist niet om persoonlijke smaak of voorkeur. Sowieso ben ik geen voorstander van ‘de meeste stemmen tellen’, de grootste gemene deler heeft in de geschiedenis alleen maar tot narigheid en ellende geleid. Vóór je het weet, is Pim Fortuyn de grootste Nederlander ooit of anders Linda de Mol wel.

Een canon samenstellen is andere koek en vereist een zo objectief mogelijke benadering en kennis. En dan nog, hoe bepaal je in vredesnaam wie of wat als ‘waardevol erkend wordt in de samenleving’? En wat ís waardevol? Nou, je zou je in ons geval, de misdaadliteratuur, je kunnen afvragen welke auteur of welk boek aantoonbaar een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van het genre heeft geleverd. Daarmee bedoel ik niet alleen de ‘erkenning’ ervan, al mankeert het daar in zekere kringen nog flink aan, voor mijn part de volwassenwording, maar ook de populariteit. Dat betekent dus ook, zoals in elke canon, een historisch perspectief.

De Nederlandstalige misdaadroman is zo’n honderdvijftig jaar oud, maar ik vrees dat de te nomineren favorieten veelal in de afgelopen twee, drie decennia zijn geschreven, als al niet recenter. (Waarom overigens als einddatum van publicatie 2016 is gekozen, is me een raadsel. Kunnen thrillers van later datum nog niet als ‘waardevol’ worden erkend ?)

Kijk, in de jaren tien, twintig en dertig van de vorige eeuw schreef Ivans (J. van Schevichaven) tientallen detectives die absoluut niet meer leesbaar zijn, maar die wel een belangrijke bijdrage hebben geleverd tot de populariteit en erkenning van het genre in Nederland. Dus zou je best De Man uit Frankrijk (1917) kunnen nomineren, maar ik weet wel zeker dat de meeste lezers, ook de zogenaamde thrillerexperts, nooit iets van Ivans hebben gelezen en vermoedelijk ook nooit van hem hebben gehoord. 

Idem Havank, begonnen in de jaren dertig tot in de jaren zestig mateloos populair maar heden ten dage een bijna vergeten auteur van oubollige en slecht geschreven detectives. Dus maar niet nomineren? Maar je streept Vondel toch ook niet weg uit de literaire canon omdat geen hond hem meer leest?

En Joop van den Broek, Robert van Gulik, Jan Willem van de Wetering , Rinus Ferdinandusse, Gerben Hellinga, zelfs, ondanks Peter Römer, Appie Baantjer? Je kan zeggen wat je wil, maar ze waren onmiskenbaar wegbereiders, net als de generatie die in de jaren tachtig van de vorige eeuw begon, de zogenaamde Nouvelle Vague van de vaderlandse misdaadliteratuur, Koos van Zomeren, Jacques Post, Theo Capel, of in Vlaanderen Jef Geeraerts en Bob Mendes.

Aan zo’n ‘eerste, officiële canon van de Nederlandstalige misdaadliteratuur’, te gebruiken als referentiepunt in de literaire beschouwingen en in het onderwijs, zou ik graag meewerken, mijn lijstje genomineerde auteurs en boeken zou ook aanzienlijk langer zijn dan de nu gevraagde vijf , maar als bekend ben ik nooit de beroerdste.

01 maart 2020

Sleutel tot succes (column, 2020)



Stokslagen




(Door Eric Herni)


Al sinds jaar en dag worden de thrillers – binnen een bepaald deel van de boekenwereld – niet serieus genomen. Bij programma’s als DWDD en andere talkshows zitten met vaste regelmaat auteurs van literaire romans en/of non-fictie aan tafel om te vertellen over hun werk.

Ook binnen het beroemde boekenpanel van Matthijs van Nieuwkerk vliegen de superlatieven over tafel als het gaat om een onbekend werkje uit een land als Italië of het sprankelende debuut van een verder totaal onbekende en onbegrepen twintigjarige auteur uit het zuidwesten van Kroatië. Verhalen die je moet pellen als een ui, gelaagd met verborgen verdriet of juist van het papier spattende emoties.

Instemmend en ontroerd vertellen ze er op televisie vol passie over en de volgende dag rennen de mensen naar de boekwinkel om die pareltjes aan te schaffen. Eerlijk is eerlijk: voor de boekhandel zijn dat ultieme momenten van geluk en de besproken boeken zijn inderdaad vaak prachtig geschreven.

Een spannend boek zal je er echter niet of nauwelijks tegenkomen. Als ze er incidenteel wel zijn komen er altijd vergelijkingen met Patricia Highsmith of Ruth Rendell. Om er toch nog een dun literair sausje overheen te kunnen gieten. De thriller – het spannende boek – is over het algemeen het rare broertje binnen de literatuur. Ik kan mij op televisie nog verhitte discussies herinneren tussen de inmiddels overleden Gerrit Komrij en Saskia Noort, waarbij eerstgenoemde alle spannende boeken op één hoop wist te vegen en het allemaal omschreef als de reinste verspilling van woord en papier.

Nou is het in een bepaald opzicht ook wel een beetje de schuld van de auteurs van het spannende boek. De grootste fout is denk ik geweest om de term literaire thrillers te gaan gebruiken. Openlijk werd er toenadering gezocht tot de andere kant van de familie, maar wel in de hoop dat niemand het zou merken.

Wie kan zich echter iets voorstellen bij die term, tenzij het om thrillers gaat zonder enige spanning? Noem het dan gewoon een roman, zoals Saskia Noort, Esther Verhoef en Simone van der Vlugt dat ondertussen doen. Zoals altijd nemen de dames het voortouw. De vraag is of het ze het respect en de waardering van de literaire wereld heeft opgeleverd. Het zal ze waarschijnlijk geen donder kunnen schelen. Feit is alleen wel dat romans en non-fictie door alle praatprogramma’s dusdanig worden gepromoot dat het voor spannende boeken steeds lastiger aan het worden is om dezelfde verkoopcijfers te behalen.

Voor Baldacci, Grisham, Brown, Nesbø en andere grote namen geldt dit niet, maar voor de rest van de schrijvende meerderheid is het over het algemeen erg moeilijk om de top tien van Nederland structureel te bereiken.

Suzanne Vermeer is een positieve uitzondering, maar dat is helaas niet het vlaggenschip van het spannende boek dat de strijd om meer respect en hogere verkoopcijfers voor haar Nederlandse collega’s kan gaan realiseren. De auteurs zullen dus zelf in actie moeten komen. Maak jezelf zichtbaar. Kom met je hoofd op televisie.

Charles den Tex schrijft geweldige thrillers maar was nog nooit zoveel en dominant op televisie als toen hij samen met Anneloes Timmerije in 2014 een roman had geschreven. Er moet toch ergens in Hilversum een populair programma te vinden zijn waar voor spannende boeken een plaats aan tafel is? De meeste auteurs van thrillers zijn veel toegankelijker dan die van het literaire werk. Die zich een jaar lang eenzaam opsluiten in de kelder van hun woning en zich met honderd stokslagen pijnigen om al die emoties uit hun pen te laten vloeien. Dat levert vaak prachtige boeken op die ook ik soms met bijzonder veel plezier en waardering tot mij neem. Schrijvers van spannende boeken zijn over het algemeen dagelijks op fora en Facebook te vinden en lijken soms net echte mensen. In die herkenbaarheid zit denk ik de mogelijke sleutel tot het succes.

Werk samen met boekwinkels, laat je nog meer zien, maak lawaai. Hier ben ik! Ik ben het waard om gekocht en gelezen te worden. Bedenk dat Dan Brown en J.K. Rowling ook jarenlang niet serieus werden genomen en nu lachend vanuit het geldpakhuis van Dagobert Duck een lange neus trekken naar al die uitgeverijen, praatprogramma’s en critici die het niet in hen zagen zitten. Denk je dat Lucinda Riley het makkelijk heeft gehad?

Ook de lokale boekhandel kan een grote rol van betekenis spelen. De literaire supersterren in Nederland gaan massaal naar Donner en Broese vanwege de wet van de grote getallen. Alle lokale boekwinkels bij elkaar hebben echter veel meer te vertellen en schrijven de regels van hun eigen succes. Geef ruimte aan thrillers. Het publiek hiervoor loopt werkelijk overal. De auteurs in Nederland zijn er doorgaans wel voor te porren.

Ik probeer in mijn winkel ook alles te doen om naast romans en non-fictie zoveel mogelijk spannende boeken te verkopen. Bij de opening van mijn winkel in 2013 kwam Loes den Hollander de deur openen en Simon de Waal kwam niet zo heel veel later kennis maken met zijn lezers in Almere-Haven. Linda Jansma kwam voor een thuispubliek en had een onvergetelijke middag. Ik beloof je: het werkt. Hun boeken gaan bij mij nog steeds in mooie aantallen over de toonbank.

Binnenkort heb ik de boekpresentatie van Marelle Boersma en op de dag vóór de Boekenweek komt Ilse Ruijters naar mijn winkel om vanaf 10 uur klanten te attenderen op haar nieuwe boek Meisje van me, een spannende thriller die in september vorig jaar is verschenen. Een initiatief van de auteur zelf, die in Almere woont, en heel duidelijk begrijpt dat het succes niet vanzelf komt. Als auteur van spannende boeken komen de stokslagen pas nadat het boek is geschreven. Dan pas geef je jezelf bloot aan je lezers, laat je zien hoeveel je van jezelf in je werk hebt gestopt. Ben je kwetsbaar en strijdvaardig. Dit is mijn boek. Samen met de boekwinkel vecht ik voor erkenning en bestaansrecht.

En geloof mij nou maar: Ilse en veel van haar collega’s verdienen ieders aandacht.

Eric Herni is eigenaar van The Read Shop in Almere-Haven. Hij gaf toestemming voor plaatsing van deze column op De Spanningsblog. 

26 april 2019

De Thriller Twaalfdaagse! Van repliek... (column, 2019)


De thrillerschrijver en zijn lezers  



(Door Lieneke Dijkzeul)


Ik las een – voor mij – volkomen nieuwe visie op de thrillerschrijver. Een mens is nooit te oud om te leren.

Anya Niewierra schreef ter gelegenheid van het 12-jarig bestaan van De Spanningsblog een column, waarin zij haar mening geeft over hoe een thriller te schrijven.

Er is sprake van ‘de kunstvorm thriller’ en van waarom ‘de mensen’ meer thrillers lezen dan gewone romans: thrillers blijven het dichtst bij het stramien van een goed verhaal. Daarom, laat dat duidelijk zijn, koos Niewierra daarvoor.

Er is eveneens sprake van een oorzaak, een zoektocht en een uitkomst. Dat geeft de lezer een fijn gevoel en het houdt hem alert. Anders dan een romanschrijver, die ‘rustig kan uitweiden’ (sic) en zich ‘irrelevante scènes’ kan veroorloven, moet een thrillerschrijver elke scène verantwoorden. Willem Frederik Hermans zou zich omdraaien in zijn graf. Naar zijn opvatting kan er geen mus van het dak vallen zonder betekenis. (Lees De donkere kamer van Damokles, een zuivere thriller.)

Maar nee, stel je voor dat een thrillerschrijver zich scènes permitteert die zijn verhaal kleuren en invullen en de personages diepte geven. Nergens voor nodig. Voort moet hij! Op weg naar het einde.

In plaats van diepgang moet de thrillerschrijver ‘sturing’ bieden. Want kennelijk heeft hij te maken met de dommere lezer, de lezer die niet gebaat is bij nadenken, laat staan bij contempleren. Welnee, je neemt hem bij de hand en leidt hem, zonder inspanning zijnerzijds, naar de clou van het verhaal. In meer is hij immers – in de optiek van Niewierra – niet geïnteresseerd. Of, erger nog, hem ontbreekt de intellectuele bagage.

Ergo: de thrillerschrijver moet waken voor ‘metaforen en mooischrijverij’. Ja zeg, stel je voor dat je de lezer enige intelligentie toedicht of vergast op goed taalgebruik. Neen, je moet ‘vlotte zinnen’ schrijven, want hij heeft geen behoefte aan ‘diepgaande historische en geografische details’. Die vermoeien alleen maar. Historische en geografische details vergen mijns inziens amper intellectuele inspanning, maar dit terzijde.

Ondanks alle beperkingen die Niewierra zichzelf geheel vrijwillig oplegt, spreekt zij van ‘de kunstvorm thriller’ en verbaast zich erover dat die minder wordt gewaardeerd dan de roman.

Je mond valt open. Want in Niewierra’s visie is het normaal dat personages vlak zijn, geen gelaagdheid hebben. Moet wel, nietwaar, het is maar een thriller. Want het gaat niet om die personages, ben je mal, het alles behelst uitsluitend de zoektocht naar de waarheid. Niks interpretatie. De waarheid volgt, logischerwijs, uit de zoektocht. Meer smaken zijn er niet. Lees De Da Vinci Code van Dan Brown er maar op na. Geen zin die zelfstandig overeind blijft, maar daar gaat het niet om, het gaat om de puzzel.

Enfin. Thrillerschrijvers, concludeert Niewierra, zijn schilders en romanciers zijn beeldhouwers. Heeft iets te maken met diepgang.

Rembrandt is dus mijn collega.

++++++++++++

Lieneke Dijkzeul (Sneek, 1950) begon haar literaire carrière met het schrijven van kinderboeken. Ze debuteerde in 1990 en publiceerde meer dan vijftig jeugdromans.

Sinds 2006 schrijft ze ook boeken voor volwassenen. In dat jaar verscheen haar debuutthriller De stille zonde. De in 2007 uitgegeven literaire thriller Koude lente werd genomineerd voor de Gouden Strop 2008, maar die prijs ging uiteindelijk naar Cel van Charles den Tex.

In 2014 verscheen Als padden schreeuwen, haar zesde thriller rond rechercheur Paul Vegter. Een jaar later publiceerde ze de standalone thriller Dagen van schaamte.

Voor de Thriller Twaalfdaagse van De Spanningsblog schreef Dijkzeul de column De rug gebroken.

25 april 2019

De Thriller Twaalfdaagse! #17 (column, 2019)



De veilige boekenwereld bestaat niet meer 



(Door Peter Römer)

Als voorzitter van het Genootschap van Nederlandse Misdaadauteurs, het eerbiedwaardige gezelschap van schrijvers van uiteenlopende spannende boeken, hou ik mij vanzelfsprekend bezig met de ontwikkelingen binnen ons genre.

De afgelopen maanden werden die gevormd door een aantal verwarrende berichten. Aan de ene kant was er het positieve nieuws uit een onderzoek, dat op instigatie van het GNM was uitgevoerd, dat het Nederlandstalige spannende boek er helemaal niet zo slecht bleek voor te staan. Het spannende boek in zijn geheel is al jaren een forse hoeksteen van de nationale boekindustrie maar het aandeel van de Nederlandse schrijvers hierin overtrof onze verwachtingen.

Aan de andere kant was er het bericht dat er van de schrijvers in Nederland slechts 55 een modaal of bovenmodaal inkomen verdienen. Daar moet ook een aantal misdaadauteurs tussen zitten en als je de CPNB top 60 met enige regelmaat in de gaten houdt, kun je je wel voorstellen wie dat zijn. Maar wie het ook zijn, het zijn er in ieder geval bedroevend weinig. Toch wordt er nijver doorgeschreven! De gezamenlijke jury’s van de Bookspot Gouden Strop en de Bookspot Schaduwprijs hebben dit jaar weer een kleine honderd boeken gelezen. Allemaal nieuwe thrillers waar slechts een fractie een week of wat in de top 60 zal bivakkeren. Waar doen ze het dan voor, vraag je je af.

In de Volkskrant werd gesuggereerd dat het bij schrijvers niet alleen om geld zou moeten gaan, maar ook om het plezier van het schrijven. Zeker, ik hoop dat de journalist in kwestie dat plezier in schrijven ook heeft, terwijl er wel gewoon aan het eind van de maand een passende vergoeding wordt overgemaakt.

Het versterkt de idee dat het schrijven, en zeker van een spannend boek, een leuk dingetje is om erbij te doen. Een vinkje op de bucketlist van de al dan niet Bekende Nederlander. Ja ja, of eigenlijk: nee nee, schrijven is een serieus vak, maar goed, tegen wie zeg ik het…

Naast verbeelding, techniek en talent (bijvoorbeeld!) heb je een fikse portie doorzettingsvermogen nodig en een hoge pijndrempel. Want als je dan eindelijk hijgend de eindstreep hebt gehaald, en je trots het eindproduct presenteert aan de wereld, mag iedereen in diezelfde wereld er zijn al dan niet genuanceerde oordeel over vellen. Velen haken na één keer gedesillusioneerd af, maar de echte schrijver zet door. Hij is een professional die zich beweegt in een wereld die de laatste jaren aan grote veranderingen onderhevig is. Ooit zat de boekenwereld eenvoudig in elkaar: de schrijver schreef, de uitgever gaf uit en de boekhandelaar verkocht. Ook het financiële plaatje zag er simpel uit, het geld werd onder die drie verdeeld, waarbij moet worden opgemerkt dat weer een ander onderzoek onlangs uitwees dat de voeder van de keten, de schrijver dus, van die drie het kleinste deel van de koek werd toebedeeld. What else is new?

Maar die veilige wereld bestaat niet meer. We hebben ebooks gekregen en luisterboeken. En daar waar ebooks de plek van het fysieke boek wil innemen, boort het luisterboek ook een nieuw publiek aan. Dat gaat de laatste tijd heel snel, er worden in een enorm tempo boeken ingesproken en ook hier blijkt dat het spannende boek veruit de favoriet van de luisteraars is.

Dat is goed nieuws voor de schrijvers zou je zeggen, maar de nieuwe situatie brengt ook nieuwe problemen met zich mee. De ooit zo overzichtelijke boekenwereld is verworden tot een jungle. Wat gebeurt er precies met de ebooks of met de luisterboeken, hoe worden ze in de markt gezet of als pakket verkocht, wat is precies de plek van Luisterrijk of Storytel, downloaden of streamen, wat is het verschil en welke bedragen hangen daar dan aan? Wat is de rol van de bieb in deze? Wie keert wat uit? En wat zijn eigenlijk de gangbare tarieven? Vragen zonder antwoorden, vooralsnog, maar met de enige zekerheid dat er geen gangbare tarieven zijn. Er is geen modelcontract. Niemand die het weet. Ook de uitgevers niet. Iedereen hanteert zijn eigen werkwijze en zijn eigen tarieven. En dan kun je als individuele schrijver natuurlijk wel wat roepen, beter is het om met alle partijen rond de tafel te gaan zitten en er met elkaar op een goede manier uit te komen.

Maar dat kun je niet in je eentje, daar heb je een belangenbehartiger voor nodig en dat is het GNM niet, daar is het ook niet voor opgericht. Vandaar dat het bestuur van het Genootschap de leden eind vorig jaar de keuze heeft voorgelegd om aansluiting te zoeken bij de Auteursbond, die wel een belangenbehartiger van schrijvers is. Fictie en non-fictie, scenarioschrijvers en dichters. Ja zelfs de ondertitelaars hebben hun belangen daar ondergebracht. Wij blijven als GNM zelfstandig opereren onder eigen naam, maar laten ons voor het gemeenschappelijke deel door de Auteursbond vertegenwoordigen.

Het is voor iedereen slikken als bekende, ingesleten paden worden verlaten, maar uiteindelijk hebben de leden erin toegestemd. Gelukkig maar. Als wij als schrijvers van spannende boeken voor vol willen worden aangezien, zullen we ons professioneel moeten opstellen!

++++++++++++

(c) Mark Uyl
Peter Römer (Amsterdam, 1952) is acteur, tv-producent en -regisseur, scenarioschrijver en misdaadauteur. Römer begon zijn carrière als acteur bij toneelgroep Centrum. Naast het toneel speelde hij ook vele rollen op televisie, waaronder in de serie Dagboek van een herdershond. Ook was hij te zien in de films Pastorale 1943 en Dokter Pulder zaait papavers.

Na 1985 speelde, schreef en regisseerde hij voornamelijk voor televisie. Hij schreef onder andere het scenario van de series De Brekers, De kip en het ei en Baantjer, waarvan hij ook twaalf jaar de producent was. Van 1990 tot 2010 was hij als Hoofd Drama en Creative Director verbonden aan achtereenvolgens John de Mol Producties en Endemol Nederland.

Römer zette als bewerker van de televisieafleveringen de Baantjer-boekenreeks voort. Ook publiceerde hij de thrillers Chantage, Bedrog en Supernova. Met zijn vrouw Annet Hock schrijft hij literaire thrillers: in 2017 verscheen hun eerste coproductie: En nu ik! Op dit moment ligt het tweede boek van Römer&Hock, Oog om oog, in de winkel.

24 april 2019

De Thriller Twaalfdaagse! #16 (column, 2019)











De redacteur heeft altijd gelijk




(Door Elvin Post)


‘Dit is een kort boek, omdat de meeste boeken over schrijven bol staan van de onzin. Romanschrijvers, ikzelf niet uitgezonderd, begrijpen niet erg veel van wat ze doen – niet waarom het werkt als het goed is, niet waarom het niet werkt als het slecht is. Ik dacht: hoe korter het boek, hoe minder onzin.’

Het was deze passage in een van de drie voorwoorden uit Stephen Kings Over leven en schrijven die mij vijftien jaar geleden uit de brand hielp nadat me na het winnen van de Gouden Strop was gevraagd een lezing te geven, mijn eerste ooit.

In eerste instantie was ik alleen maar blij geweest. Een lezing geven was natuurlijk een grote eer. Ik zou er nog voor betaald krijgen ook. De lezing moest gaan over hoe ik te werk was gegaan bij het schrijven van mijn debuut en dat was uiteraard eenvoudig. Ik had het geschreven, dus ik wist vast ook nog wel hoe.

Niet dus.

Toen ik een dag of wat voor de lezing probeerde iets zinnigs op papier te krijgen, bleek dat niet te lukken. Meer dan dat ik vijf jaar lang had zitten rommelen en schaven en waarschijnlijk zo’n drie volledige manuscripten aan tekst had weggegooid, kreeg ik niet op papier. En dat kwam natuurlijk niet professioneel over. Het koude zweet brak me uit. Ik overwoog zelfs even om af te zeggen.

Totdat ik me het voorwoord uit het boek van King herinnerde.

Als Stephen King het niet weet, dacht ik, dan is het geen schande dat ik het ook niet weet. De uiteindelijke lezing kan ik me niet herinneren, maar wel dat ik mijn angst om als een idioot over te komen kwijt was.

Inmiddels weet ik natuurlijk wel (iets) beter. Na een paar boeken zijn er punten van houvast. Goede personages zijn belangrijk; mensen die iets wíllen, wat dan ook, en - meestal daaruit voortkomend - een plot. Maar of ik inmiddels beter weet wat ik dóé terwijl ik een boek schrijf?

De realiteit wijst uit van niet.

Bij het schrijven van mijn laatste boek, Arizona blues, had ik het voor het eerst lastig met het label thriller, dat tot nu toe op al mijn boeken had gestaan. Na onder meer een goed gesprek met Renate Dorrestein (‘Ik heb er ook weleens over gedacht een van mijn boeken als thriller te laten uitbrengen’) besloot ik het label los te laten. Het verhaal dat je wilt vertellen, zo klonk de diagnose van Renate, daar gaat het om. En, zo zei ze: een goed verhaal is altíjd spannend. Stephen King zegt min of meer hetzelfde: laat de personages het verhaal vertellen. Ik was bevrijd, kon door en was blij met het eindresultaat, dat anders voelde dan mijn andere boeken. Fijn, want het laatste wat een schrijver wil, is zichzelf herhalen.

Ik stuurde het boek naar mijn vaste lezers. Algemene reactie: ‘Heerlijke thriller weer!’ Vervolgens kwam mijn redactrice: ‘Ik snap je overwegingen, maar ik vind het echt een thriller.’

Ik hield voet bij stuk. Er kwam (voor het eerst) geen label op mijn boek.

Een paar dagen geleden kreeg ik te horen dat Arizona blues op de longlist van de Gouden Strop staat.

Ik vierde het goede nieuws met mijn dochters en moest denken aan iets anders wat Stephen King zegt in zijn boek: ‘De redacteur heeft altijd gelijk.’ Tja, wat wil je ook, met al die schrijvers die niet weten wat ze doen.

++++++++++++

(c) Didier Cohen
Elvin Post (Rotterdam, 1973) won in 2004, als jongste winnaar tot dan toe, de Gouden Strop voor zijn debuutthriller Groene vrijdag. Met Roomservice won hij in 2011 de Vlaamse thrillerprijs, de Diamanten Kogel.

Elvin Post, de zoon van thrillerschrijver Jacques Post, begon zijn carrière na zijn stage bij het literaire agentschap Ralph Vicinanza in Manhattan. Daar begon hij ook met het schrijven van thrillerrecensies voor het AD. In Manhattan raakte hij geïnspireerd om zelf te beginnen met het schrijven van boeken. Met als gevolg de publicatie in 2004 van zijn eerste thriller Groene vrijdag.

Twee jaar later verscheen Vals beeld, dat ook een nominatie kreeg voor de Gouden Strop. Beide boeken waren tevens genomineerd voor de Diamanten Kogel. Vals beeld is gebaseerd op de brutale kunstroof in 1990 waarbij verschillende kunstwerken ontvreemd werden uit het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston. Vervolgens schreef Post de thrillers Geboren verliezers, Roomservice en Dame Blanche

Vorig jaar verscheen Posts jongste boek, Arizona blues. De illustratie hierboven is een gedeelte van de cover. Of het zijn beste boek tot nu toe is, kon hij in een interview met het AD niet zeggen. 'Ik heb na het voltooien van mijn vorige boeken ook nooit het gevoel gehad dat dit het beste was wat ik ooit heb geschreven. Ik ben er tevreden mee, het is anders dan de andere. En als ik mijn oudste dochter het met plezier zie lezen, dan is dat een moment dat je altijd zal bijblijven.'

De Thriller Twaalfdaagse! #15 (column, 2019)



De lezer wil sturing en verklaring 



(Door Anya Niewierra)


Een tijdje geleden volgde ik een webinar over toeristische storytelling. Ik werk bij VVV Zuid-Limburg en storytelling is het nieuwe dogma in ons vakgebied. Immers, door de digitale revolutie moet de hedendaagse mens zoveel informatie verwerken dat zijn geest blokkeert als we te veel data communiceren. De moderne mens onthoudt alleen nog verhalen. En die verhalen moeten we telkens volgens eenzelfde stramien opbouwen en vertellen anders zoeft de aandacht weg. Dat stramien is evolutionair in onze hoofden zo gegroeid en aldaar verankerd.

Terwijl ik voor Zuid-Limburg oefende op dat stramien en een story schreef over de rol van onze mergel in de geschiedenis van de mensheid, had ik een ‘aha-moment’. Ik ontdekte dat thrillers van alle literaire kunstvormen die ik ken het dichtst bij dat stramien van de evolutionaire storytelling blijven en dat ‘ordelijk’ volgen. Die ontdekking leidde bij mij tot twee conclusies:

1. Ik begreep waarom ikzelf voor de kunstvorm thriller had gekozen: de opbouw van thrillers sluit het beste aan bij de opbouw van de verhalen die ik beroepsmatig over mijn mooie Zuid-Limburg vertel.

2. Ik begreep waarom de mensen meer thrillers lezen dan ‘gewone romans’: thrillers blijven het dichtst bij het stramien dat ‘de mens’ door de millennia heen als standaard voor ‘een goed verhaal’ heeft geaccepteerd.

Wat is dan dat stramien?

Alle verhalen die wij mensen elkaar van oudsher vertellen, beginnen met een ‘gebeurtenis’. Met een ‘oorzaak’ dus. En die oorzaak heeft een ‘uitkomst’, een waarheid. Met die waarheid eindigt het verhaal. De gebeurtenis waar de meeste thrillers mee starten, is een moord of een ander incident waar dreiging van uitgaat. De thrillerlezer weet vanaf bladzijde één dat het verhaal naar de oplossing van die moord toewerkt. Er volgt een zoektocht naar de waarheid. Daarbij weet de lezer ook dat elke scène een rol heeft op de weg naar die waarheid. Dus de thrillerlezer blijft alert. Hij wil geen clou missen. Dit ‘weten dat er een aanwijzing kan komen’, zorgt voor concentratie bij de lezer en zorgt er daarmee voor dat hij loskomt van de werkelijkheid. De lezer ontspant en dat voelt fijn.

Daar waar een romanschrijver rustig kan uitweiden en zich scènes kan veroorloven die geen rol hebben in de weg naar de waarheid, moet een thrillerschrijver achteraf elke scène kunnen verantwoorden. Dat vraagt discipline én strakke planning.

Een ander belangrijk woord in de storytelling is ‘sturing’. De wereld van de mens was en is complex en vol onzekerheden. Daarom zoeken wij al van oudsher naar een wezen dat regie voert over de gebeurtenissen die wij waarnemen. Wij mensen willen verklaringen. En wanneer die er niet zijn, dan scheppen wij die verklaring zelf, in ons hoofd. De vele godsdiensten die we bedachten, zijn daarvan een voorbeeld. In de verhalen die wij mensen elkaar al millennia vertellen, zit daarom vrijwel altijd een wezen dat de zaken aanstuurt. Bij de verhalen over religie is dat bijvoorbeeld een God(in). Bij legendes is dat vaak een koning(in) of een prins(es). Bij thrillers is dat de persoon die de leiding neemt (of krijgt) bij de zoektocht naar de waarheid achter ‘de gebeurtenis’.

Dit ‘leiderschapsprincipe’ voert ertoe dat personages in een thriller een andere functie hebben dan personages in een roman. Romanschrijvers kunnen eindeloos meanderen door het voelen en denken van hun personages. Thrillerschrijvers kunnen dat niet. Zij moeten personages creëren die handelen, die de lezer leiden naar de verklaring (wie deed het) én naar de betekenis (waarom). De ruimte voor emotionele reflectie is beperkt. Het vinden van evenwicht tussen verdieping binnen de personages en de vaart houden in de story is misschien wel de grootste uitdaging voor een thrillerauteur. Hetzelfde geldt voor het taalgebruik. Thrillerauteurs moeten voorzichtig zijn met metaforen en mooischrijverij. De lezer wil immers via vlotte zinnen naar de waarheid gaan en heeft op de weg daarnaartoe ook geen behoefte aan diepgaande historische en geografische details. Die vermoeien alleen bij het zoeken naar de clous. Bij romans is dat tegenovergesteld. Daar is de weg het doel.

Thrillerauteurs moeten dus spannende en transformerende verhalen creëren binnen de beperking die het stramien van de thriller hen oplegt. Dat vraagt om creativiteit, analytisch inzicht en een goede kennis van taal. Je moet immers met weinig woorden veel zeggen.

En toch… Ondanks de aanzienlijke artistieke vaardigheden waarover je als thrillerauteur moet beschikken, wordt de kunstvorm thriller in Nederland vaak als ‘lager’ gezien dan de kunstvorm roman. Er wordt door sommigen zelfs gesteld dat thrillers ‘lectuur’ zijn en geen ‘literatuur’.

Aanhangers van die theorie komen vooral tot dit oordeel op basis van ‘de ontwikkeling van de personages’ in veel thrillers. Of beter: het gebrek aan die ontwikkeling.

Literatuurrecensenten stellen regelmatig dat de personages in thrillers vlak zijn. Deze recensenten nemen de romans als hun kader en negeren het gegeven dat binnen het storytellingconcept van de thriller niet de karakterontwikkeling van de hoofdpersoon (de leider) centraal staat, maar de zoektocht naar de waarheid. Soms loopt die zoektocht synchroon met een catharsis bij die leider, maar meestal niet. Dat hangt helemaal af van rol die de leider heeft in het verhaal.

De transformatie van de lezer volgt bij thrillers meestal niet uit het analyseren van de karakterologische groei van de hoofdpersoon, maar uit de waarheid die volgt uit de zoektocht. Een beroemd voorbeeld in deze is de thriller De Da Vinci Code van Dan Brown. Niet de karakterverandering van de ‘leider’ professor Robert Langdon transformeert de lezer, maar de uiteindelijke waarheid dat Jezus een nog levende vrouwelijke nakomeling heeft en alles wat dat kan betekenen voor de Katholieke Kerk.

Ik vergelijk thrillers en romans daarom wel eens met de beeldende kunst. Daar heb je schilders en beeldhouwers. Schilders kun je vergelijken met thrillerauteurs. Schilders moeten vanwege de beperking van hun doek ééndimensionaal werken. Beeldhouwers kun je vergelijken met de romanschrijvers. Zij hebben de vrijheid om driedimensionaal te werken. In beide kunstvormen heb je goede en minder goede kunstenaars.

Net als in de wereld van de thrillerliteratuur.

++++++++++++

Anya Niewierra is ondernemer en Algemeen Directeur van VVV Zuid-Limburg. Ze debuteerde in 2013 met de literaire thriller Vrij Uitzicht. Deze werd genomineerd voor de Schaduwprijs, de Thriller Award en de Hebban Debuutprijs.

Haar tweede thriller Het Dossier verscheen in 2017 en werd door lezers overladen met vijfsterrenrecensies. Het boek belandde op de shortlist voor de Thriller Award. Het Dossier werd in 2018 zelfs de hoogst beoordeelde thriller van een Nederlandse auteur in de ‘Hebban Top 1.000 Mooiste Boeken Aller Tijden’. Tomas Ross zegt over Het Dossier: ‘Een parel binnen de Nederlandstalige misdaadliteratuur.’

De derde thriller van Anya Niewierra verschijnt in januari 2020 bij Luitingh-Sijthof. Titel: Het Bloemenmeisje. Anya Niewierra is lid van het collectief Moordwijven.
www.niewierra.com.

23 april 2019

De Thriller Twaalfdaagse! #14 (column, 2019)



Een forse man met hoed en zonnebril  



(Door Tomas Ross)


Onlangs publiceerde de Koninklijke Boekverkopersbond de stand van zaken in het Hollandse boekenland. Verdere ontlezing, weer minder zelfstandige boekwinkels, minder diversiteit van aanbod, et cetera., et cetera. Sombermans dus. En maar 55 van de bijna 20.000 (!) auteurs die een modaal of hoger inkomen aan het schrijven overhouden.

Dat ‘auteurs’ is overigens wel te relativeren, de meesten zijn hobbyisten met een vaak veel beter betaalde baan. Therapeuten, journalisten, koks, wetenschappers, cabaretiers. Desondanks slechts 55 schrijvers met een jaarlijks bruto inkomen van 36.000 euro bruto of meer. Fictie en non-fictie. Een momentopname, er zal vast een vinoloog, diëtiste of onbekende uitschieter tussen zitten, maar het draait natuurlijk om het rijtje bekende bestsellerschrijvers.

Dan is het toch bijzonder dat er, met de gestaag minderende verkoop van vaderlandse misdaadromans, spontaan elf namen bij me opborrelden van – vooral - vrouwelijke en mannelijke auteurs in het genre. Van wie er zeker zes of zeven méér dan 2.100 euro netto per maand beuren. Iedere trouwe lezer(es) van De Spanningsblog zal weten om wie het gaat. Verrassend dus, eenvijfde van de 55. Zeker, als ik het goed inschat dat we, afgaande op de vier laatste VN Detective en Thrillergidsen, maar zo’n 30 ‘vaste’ misdaadauteurs hebben. Je zou zeggen ‘Hoera!’ als er geen circa 100 anderen zouden zijn die af en toe wat leveren, of debutanten, en die niet meer dan zo'n 1.500 à 2.000 exemplaren verkopen. Als al. Niet van te leven en weinig motiverend.

Wat dat betreft viel het recente voorstel van de auteur Tjeerd Langstraat niet uit de lucht om schrijvers door hun uitgever te laten salariëren. Als werknemers dus. Sympathiek, maar natuurlijk volslagen irreëel. Want waarop zou je dat salaris anders dan op de royalty's van een gepubliceerd boek/boeken moeten baseren? En die ontvang je al, zij het achteraf en verrekend met het voorschot. Bij dat ‘achteraf’, april na het jaar van publicatie, kun je wel je vraagtekens zetten, de uitgever heeft zijn inkomsten uit jouw boek dan allang binnen. Dus kan ik me, ook uit ervaring, iets anders voorstellen.

Heere Heeresma
Lang geleden, jongens en meisjes, betrad ik met mijn tweede manuscript het pand van de uitgever. Daar zat een forse man met een hoed en zonnebril en gekleed in een overjas in de wachtkamer. De indertijd fameuze schrijver Heere Heeresma (onder andere van enkele beroerde detectives) die me bars het volgende vroeg: ‘Bent u auteur?’

‘Zoiets, ja.’

‘U gaat een contract tekenen?’

‘Dat hoop ik, ja.'

’Dan gaat u straks aan tafel en vraagt naar de verwachte oplage. Stel dat die 2.000 bedraagt. Dan vraagt u naar de verkoopprijs. Twintig gulden. Vervolgens wilt u weten wat men u biedt aan royalty's. Tien procent, twee gulden per verkocht boek. Dan eist u als voorschot tien procent over de totale oplage, 4.000 gulden, in plaats van de gebruikelijke, luizige duizend gulden. Risico voor de uitgever maar daar is zo’n man voor. Bij eventuele herdrukken hetzelfde.’

Nerveus als ik toch was, leek me dat fair en aldus geschiedde ook. 4.000 gulden was in die dagen zoiets als 20.000 euro vandaag. Nog geen modaal inkomen, maar wel stimulerend en als je er twee schrijft, wat sowieso al goed is voor je naamsbekendheid, heb je dus méér, ook vastigheid, zoiets dus als een salaris. Mits je vanzelfsprekend geen wanprestatie levert, doorwerkt en navenant verkoopt. Maar dat geldt ook voor die uitgever en zijn werknemers.

++++++++++++

(c) Ben Kleyn
Tomas Ross is het pseudoniem van Willem Pieter Hogendoorn (Den Bommer, 1944). Hij won driemaal de Gouden Strop, de prijs voor de beste Nederlandstalige spannende roman. Die prijs werd hem toegekend in 1987 voor Bèta, in 1996 voor Koerier voor Sarajevo, en in 2003 voor De zesde mei.

De vader van de schrijver, Pieter Gerardus Hogendoorn (1912-1971), was tijdens de Tweede Wereldoorlog lid van de verzetsgroep Albrecht en werd na de oorlog gevraagd bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) te komen. Deze instantie komt in veel van Ross' boeken ter sprake.

Hogendoorn volgde het 'koninklijke'gymnasium Sorghvliet in Den Haag en deed in 1964 staatsexamen. Vervolgens studeerde hij korte tijd geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In 1966-1969 deed hij de School voor Journalistiek in Utrecht en in 1975 studeerde hij af aan de Universiteit van Amsterdam in niet-westerse sociologie. Het pseudoniem Tomas Ross gebruikt hij sinds 1980. Aanvankelijk zou hij de naam Thomas Ross gebruiken, maar op de cover van zijn eerste boek ontbrak de 'h' en de schrijver heeft dat toen maar zo gehouden.

Hogendoorn werkte als journalist onder meer voor het dagblad Het Vaderland. Daarnaast was hij op televisie werkzaam voor de NOS en de TROS. Hij debuteerde in 1980 als schrijver van misdaadromans met De Honden van het Verraad, een politieke thriller over de vrijheidsstrijd van Zuid-Molukkers. Deze roman wordt al gekenmerkt door wat later zijn handelsmerk zou worden: spannende fictie, gebaseerd op feiten en grondige research, ook wel faction genoemd.

Tomas Ross is één van de initiatiefnemers van het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs (GNM) dat in 1986 werd opgericht. De Gouden Strop werd door hem in het leven geroepen.

In een interview op De Spanningsblog vertelde Ross dat hij ooit zendeling wilde worden: het Woord verkondigen in Papoea Nieuw-Guinea. Dat was nadat hij een film had gezien over de goede werken van de arts-zendeling Albert Schweitzer in Afrika. 'Dat wilde ik ook. Met zo'n tropenhelm op. Ik wilde de wereld over en die negertjes vertellen over het geloof, zoals Jezus zijn discipelen aanspoorde om te doen.' Die gedrevenheid verloor hij toen hij van catechisatie werd gestuurd omdat hij gezegd had dat hij De Koperen Tuin van Simon Vestdijk het mooiste boek vond.

De schrijver wordt in september van dit jaar 75 jaar. Rond die tijd zal ook zijn vijfenzeventigste thriller verschijnen.

22 april 2019

De Thriller Twaalfdaagse! #13 (column, 2019)



Een heerlijke eerste zin 



(Door Simon de Waal)


Twaalf jaar roddel en achterklap in het Thrillerlandschap! Nooit te beroerd om er met een gestrekt been in te gaan, zelfs niet om de Grote Namen ter verantwoording te roepen. Ruzie links, een scherp stukje rechts, een sneer naar het middelmatige midden. Als ik zo de stukken eens teruglees, heeft Peter menig maal geschiedenis geschreven met zijn Spanningsblog.

Maar laten we buiten dit alles niet vergeten waar het bij de Spanningsblog eigenlijk om draait. Nee, niet Peter zelf (hè, zo flauw dit), maar de thriller. En kijk dan eens naar de enorme hoeveelheid lekkere recensies die hij heeft geschreven, ook weer van links naar rechts in het hele thrillerlandschap. En interviews. En analyses. Over spanning in het algemeen. Een indrukwekkend oeuvre waarmee hij nog wel een paar dozijn jaren door mag gaan, van mij.

Er zijn een paar iconen waar je de tijd voor neemt, in thrillerland. Dus dit stukje is, noodgedwongen, kort maar met liefde geschreven.

Noodgedwongen omdat ik momenteel onvoorstelbaar druk ben met de laatste hoofdstukken van mijn nieuwe boek dat in juni van dit jaar gaat – als ik die hoofdstukken ga redden, en er geen ramp tussendoor gebeurt natuurlijk; afkloppen – verschijnen.

Toen ik na Nemesis een nieuwe ‘grote’ thriller ging schrijven, was dat over een vrouw die haar dochter gaat redden. Dat is wel zo’n beetje waar het op neerkwam, in het kort. En wat gebeurt er in de zomer van 2018? Karin Slaughter, de vrouw die sneller schrijft dan haar schaduw, komt met een verhaal over… u raadt het al. Woeps… daar ging mijn boek, want je wilt niet dat iemand gaat zeggen, goh, dat boek lijkt wel erg veel op… en daar zal het ook wel niet op lijken, maar als je lol even weg is in het verhaal, moet je het wegleggen en wachten tot die lol er weer is. Dus dat boek gaat er nog wel een keer komen, alleen al omdat de titel te fantastisch was om te laten liggen.

En toen begon dus ik aan een ander boek, waarvan de titel (Systema) minstens even verrassend en goed is (vind ik dan, en vinden Roel en Oscar van de uitgeverij ook), en waarin ik evenveel lol had in het schrijven. En heb, want ik ben er nog steeds mee bezig dus.

Ik nader het spectaculaire einde en ik ben benieuwd hoe het af gaat lopen. Want ik hou er niet van om een gebaand pad te betreden en pas te beginnen met schrijven als alles al uitgeplot is en de karakters je niet meer kunnen verrassen. Nee, wat ik nodig heb is een stel fantastische karakters, een sensationeel en pakkend begin, en daarna begint het schrijven – als ik de eerste zin van het boek heb, tenminste. Want dat is een voorwaarde, misschien wel een gewoonte. Ik móét een heerlijke eerste zin hebben, anders ga en kan ik niet beginnen. Dat kan dagen, soms weken duren voordat die er is. En dan dáárna….

Maar goed, nu nader ik echt dat einde. Dus ik ben benieuwd wat die Russische Kolonel gaat doen. En die Schotse dochter wiens vader vergiftigd werd. En of Alex de kist van zijn moeder terugvindt. Ik ga snel verder. Heeft Peter straks ook weer wat te doen.

++++++++++++

Simon de Waal (Amsterdam, 1961) is naast schrijver en scenarist voor televisie en film werkzaam als rechercheur bij de Amsterdamse politie. Hij won in 2000 een Gouden Kalf voor Beste scenario voor de film Lek. Acht jaar later werd hij bekroond met de Diamanten Kogel voor de thriller Pentito, voor dit boek werd hij ook genomineerd voor de Gouden Strop. Ook zijn thrillers Cop vs Killer en Nemesis belandden op de shortlist voor de Gouden Strop.
Samen met Appie Baantjer schreef en bedacht De Waal drie politieromans over het Bureau Raampoort. Na het overlijden van Baantjer in 2010 schreef De Waal nog eens zeven romans in deze serie.
In september 2011 startten de opnamen van de telefilm Cop vs Killer naar het gelijknamige boek. De film zou oorspronkelijk geregisseerd worden door Hans Pos, maar toen die na enkele draaidagen ziek werd, werd De Waal gevraagd of hij de regie op zich wilde nemen. Deze telefilm is in 2012 uitgezonden en werd dit jaar herhaald. In juni verschijnt De Waals nieuwe thriller Systema bij uitgeverij Lebowski. De illustratie boven deze column is een uitsnede van de cover.
(Foto auteur: S.P. de Waal)

21 april 2019

De Thriller Twaalfdaagse! #12 (column, 2019)



Blonde Dolly 



(Door Roel Janssen)


‘Kreig nauh wat!’ riep de grondwerker. ‘Daar leg een leik.’

Leunend op zijn schop keek hij naar de ledematen die uit de rioolbuis staken. Twee voeten. Twee kuiten.

‘Kom es keikeh’, wenkte de man naar zijn maat, ‘We hebben een leik in de buis.’

Met zijn tweeën bogen ze zich over de lugubere vondst. ‘Dit kenne wij niet oplosseh. Daar moet Pim bij komen’, besliste de maat.

Al maandenlang waren de grondwerkers bezig met werkzaamheden om de riolering te vernieuwen in de Prins Bernardlaan, een brede straat met bomen in een voorname wijk van Den Haag. De straat was veranderd in een reusachtige zandbak en er werden nieuwe rioleringsbuizen aangelegd, waarop de afvoerbuizen van de woonhuizen aangesloten moesten worden.

De opzichter kwam erbij. Hij was een man van achter in de dertig die een rood hesje droeg en een hardplastic helm op zijn hoofd had. Op zijn jack zat een naambordje: Pim Fortuin. ‘Theo?’ zei hij in zijn mobiele telefoon. ‘Eh. Ja. Kom even kijken. Tegenover nummer 24.’ Theo van Goch was als ingenieur van de gemeente belast met het rioolproject.

‘Zullen we we hem er uit trekken?’ stelde Van Goch voor, nadat hij de wonderlijke situatie van de twee benen die uit de rioolbuis staken, van alle kanten bekeken had.

‘Haar, zul je bedoelen. Het zijn vrouwenbenen. Kijk maar naar wat er tussen zit’, reageerde Fortuin.

‘Wat weet jij van wat er tussen vrouwenbenen zit?’

Fortuin negeerde de opmerking. ‘We moeten de politie erbij halen. Of de AIVD’, zei hij.

‘Vergeet het. We lossen dit zelf op. Laat die jongens eerst nog wat graven’, zei Van Goch beslist. Hij wenkte de twee grondwerkers die leunend op hun schop stonden toe te kijken.

De mannen groeven de rioolbuis verder uit. Met een klap van een moker sloegen ze het betonnen uiteinde aan gruzelementen. Er kwamen meer lichaamsonderdelen tevoorschijn. Onmiskenbaar een vrouwenlichaam.

‘Heb jij gelijk’, zei Van Goch.

‘Wat doen we met haar?’

De gemeente-ingenieur keek Fortuin meewarig aan. ‘Heb jij wel eens een detectiefje gelezen? Ik lees graag van zulke boeken. Je hebt ze zo uit.’

‘Appie Baantjer, zeker. Die verdiende zo veel met zijn boeken dat hij in deze buurt een huis had kunnen kopen.'

‘Ja, maar Appie Baantjer is dood en hij woonde in Medemblik.’

Zwijgend stonden ze in het zand. Gebiologeerd keken ze naar de rioolbuis die bij stukjes en beetjes verder open gehakt werd.

‘Jezus Christus, ik moet een slok water hebben’, zei Van Goch. Hij maakte een gebaar alsof hij moest overgeven.

‘We kunnen er wel van uitgaan dat die vrouw niet vrijwillig in een rioolbuis is gekropen, maar dat er sprake is geweest van een ongelukje in huiselijke kring’, redeneerde Fortuin. Hij lachte sardonisch.

‘Moord op een vrouw. Typisch iets voor een plot van een van de Moordwijven’, zei Van Goch. Ter verduidelijking: ‘Zo heet een groep vrouwen die spannende boeken schrijven.’

Er kwam een man aanlopen over het plankier dat de opgebroken stoep verving. Een magere, wat oudere man met een hond aan de lijn en een sigaret in zijn mond. Borstelige wenkbrauwen boven priemende ogen.

‘Jij bent de kenner. Wie zou zo’n plot nou kunnen verzinnen?’ vroeg Fortuin.

‘Oh, genoeg. Er zijn best veel goede Nederlandse spannendeboekenschrijvers. ‘Ik heb gehoord dat hier ergens in de straat ook zo’n schrijvertje woont’, zei Van Goch.

‘Je meent het. Ik lees die rommel niet. Maar bij de Bruna op het station zie ik altijd boeken van Suzanne Vermeer liggen. Ken je haar?’

‘Suzanne Vermeer bestaat niet. Ze was een man en ze is al twintig jaar dood.’

‘Hoe kan dat nou?’

‘Ik heb gehoord dat een computer haar boeken schrijft.’

De man met de sigaret in zijn mond bleef stil staan bij de rand van de opengebroken straat. Hij was een rijzige gestalte en had een doorleefd gezicht. Het was duidelijk dat hij veel rookte en dronk.

‘Goedemiddag heren’, zei hij tegen Fortuin en Van Goch die een halve meter beneden hem in het zand stonden. Met zijn hand maakte hij een gebaar alsof hij salueerde. De hond trok aan de riem. ‘Hierrr, Bernard’, zei de man. Daarna, tegen de mannen met de rode hesjes: ‘Schiet het een beetje op? Ik kan godverdomme al weken niet fatsoenlijk mijn eigen huis in of uit en mijn auto moet ik aan de andere kant van de stad parkeren!’

‘Het is een klus, meneer, tot na de zomer zijn we bezig. De gemeente is niet scheutig met geld en daardoor hebben we te weinig mensen aan het werk.’

‘Ik kan niet de hele dag opgesloten in mijn huis zitten te schrijven.’

Van Goch nam de man onderzoekend op. ‘U bent toch niet…’, begon hij.

‘Ja. Ik ben het schrijvertje. En mijn uitgeefster zit me verdomme constant achter mijn broek, alsof ik een valse nicht ben.’

‘Dat wil zeggen’, probeerde Fortuin, ‘we hebben zojuist…’

De man onderbrak hem. ‘Eerst moest ik mijn trilogie over koningin Wilhelmina afmaken. Nu ben ik bezig met een zesdelige serie over generaal Spoor. Weet u wie dat was? Vast niet. Spoor was de Nederlandse generaal tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. Gestorven, ik bedoel vergiftigd nadat hij een bord nasi had gegeten. Daarna…’

‘Mijnheer...’

‘… de Mabel-reeks, een variant in vier delen op de Bouquet-reeks, hahaha. En dan de Zorreguieta-papers.’

‘… we zijn gestuit op…’

‘Ja, lullen jullie maar. Lullen en poetsen. Schiet nou eens op met die klus in de straat. En ik maar schrijven. Wisten jullie dat prins Bernhard in de oorlog in Argentinië is geweest en gelogeerd heeft op een boerderij, of hoe heet zo’n ding daar, een estancia, van de minnaar van Eva Perón? Die man heette Zorreguieta. Afijn, Bernard logeert daar, god weet waarom, maar dat doet er niet toe, mijn vriend Gerard Aalders heeft dat uitgezocht.’

‘… in de rioolbuis…’

‘Hoe dan ook, de ouwe Zorreguieta ligt in Buenos Aires te neuken met Eva Perón en zijn vrouw is jaloers en dan komt Bernhard op bezoek. 1943, het was in 1943 en Bernhard had net de Stadhoudersbrief verstuurd aan Goebbels. Of Göring, dat moet ik nog eens aan Aalders vragen. Die heeft een kopie van die brief gezien waarin Bernhard zich bij Hitler aanbiedt om als stadhouder bezet Nederland te besturen. Dat wist u toch wel? Deze buurt was trouwens Sperrgebiet, ontruimd voor de bouw van de Atlantik Wall. Waarvoor Zwolsman… Verdomd, daar zit ook een verhaal in, maar ik dwaal af.’

‘MIJNHEER!’

‘Hoe dan ook. Mevrouw Zorreguieta is eenzaam en ongelukkig op haar veeboerderij. Tienduizenden hectares in de pampa’s. Weet je wat dat met je doet? Ze smacht naar gezelschap, maar natuurlijk niet van een van die ongelikte gauchos, zoals ze cowboys daar noemen. En dan duikt Bernhard op. Begrijpen jullie waar ik heen ga?’

‘ER LIGT EEN LIJK…’

‘Nee, geen lijk. Bernhard neukt met mevrouw Zorreguieta en vergeet zogenaamd zijn Fromm om zijn Hoogduitse pik te doen. Die heeft hij natuurlijk laten liggen op het nachtkastje bij een van die andere minnaressen van hem, Ursula von Pannwitz. Of Leonie Putz. Of Lady Ann Orr in Londen. Mooie karakters, trouwens.’

De man schiet de peuk van zijn sigaret in de zandbak waarin de straat voor zijn huis al maanden is veranderd. ‘Een asbak voor de deur, dat is dan weer een voordeel.’

Van Goch en Fortuin zijn uit de open gegraven straat geklommen en staan nu naast de man, die een nieuwe sigaret opsteekt. Hij praat ononderbroken door.

‘Ik bedoel maar. De kleinzoon van Bernhard kan maar zo met een kleindochter van hem getrouwd zijn. Incest is een bekend verschijnsel in adellijke families. Ik ga er een serie van zeven boeken van maken. Mijn uitgeefster denkt dat het te veel is, maar minder lukt me niet. Dit wordt de Zorro-reeks met zeven delen. Maar goed, u moet opschieten met die verdomde rioolbuizen, ik houd u niet langer van uw werk.’

‘Wacht even, meneer het schrijvertje’, zegt Van Gogh gedecideerd.

‘We hebben in de rioolbuis die uit uw huis komt een lijk gevonden. Het lijk van een vrouw’, vult Fortuin aan.

Geamuseerd draait de man met de hond en de sigaret zich een halve slag om. ‘Maakt u zich daar nou druk om?’

‘Het verstopt de rioolbuis. Zo kunnen we niet verder werken’, zegt Van Goch nijdig.

‘Wat doet een vrouwenlijk in een rioolbuis die uitkomt bij uw huis?’ vraagt Fortuin.

De hond rukt opnieuw aan de riem. ‘Wacht even, Bernhard, we gaan zo naar binnen, dan krijg je je bakje eten en neem ik een glas rode wijn.’

‘Dit is een plaats delict. We zien ons genoodzaakt de politie in te schakelen’, zegt Van Goch, in de ijdele hoop dat dit indruk maakt.

De man schudt zijn hoofd ‘Wel ja. Inspecteur Snuf. Laat me niet lachen. Heeft u het corpus delicti al bekeken? Gezien dat de vrouw een label met een merknaam om haar hals heeft? Trouwens, als u goed kijkt, ziet u dat het geen lijk is, maar een sekspop. Made in China. Daar kunnen ze lichamen maken met alles er op en er aan, een kut en tieten die niet van echt zijn te onderscheiden. Ik moet toch eens uitzoeken hoe ze dat voor elkaar krijgen, dat kan ik in een plot van me gebruiken.’

Van Goch en Fortuin kijken elkaar verbluft aan. Beschaamd stappen ze terug in de open zandkuil in de straat. ‘Schiet nou eens op met die buis aan stukken slaan’, haalt Fortuin uit naar de twee grondwerkers die de hele tijd zwijgend hebben staan wachten.

Na nog een paar slagen komt het complete lichaam tevoorschijn. Het is gehuld in een roze babydoll. Om de nek hangt een goudkleurig kettinkje met een naambordje. Fortuin stapt in de zandkuil en leest wat er op de label staat. ‘Blonde Dolly’.

‘Ik wilde weten of ze nadat ze was vermoord en haar lichaam was verdwenen, verstopt had kunnen worden in een rioolbuis’, zegt het schrijvertje. ‘Nu de straat toch open lag, kon ik dat eens uitproberen. Gisteren was het zondag. Een perfecte dag voor een moordscène. Een goedemiddag, heren, en nog een fijne dag gewenst.’

++++++++++++

(c) Keke Keukelaar
Roel Janssen (Enschede, 1947) is een financieel-economisch journalist en schrijver. Hij maakte zijn thrillerdebuut in 1997 met De struisvogelcode. Daarna volgden onder andere Het Mercatorcomplot (2000), De Kloonbaby (2003) en Karaktermoord (2005). Voor het in 2007 gepubliceerde De tiende vrouw werd hij bekroond met De Gouden Strop, de prijs voor de beste Nederlandstalige misdaadroman. Na De tiende vrouw volgden de thrillers De stem van het volk (2009), Fout goud (2014) en Alles verloren (2017).  Daarnaast schreef hij een aantal non-fictieboeken over (internationale) economie, waaronder Grof geld (2011), een kroniek van zeven eeuwen financiële schandalen en speculaties in Nederland.

Tot 2010 was Janssen financieel-economisch redacteur van NRC Handelsblad. Daarvoor was hij van 1978-1983 correspondent in Zuid-Amerika voor de NRC en NOS, met als standplaats Rio de Janeiro in Brazilië. Hij promoveerde op een proefschrift over krottenbuurten in Bogotá, de hoofdstad van Colombia. Daarna verbond hij zich als senior advisor aan het Haagse Centrum voor Strategische Studies (HCSS) en als lid van de advisory board van OMFIF, een financiële nieuwsbrief en denktank in Londen.

Onder het pseudoniem Menno Lindeman schreef hij de thriller De stijldanser (2004). De foto van de auteur en de biografische gegevens op de achterzijde van het boek berustten niet op de realiteit, evenmin als de bewering dat het om een debuut zou gaan. Dat Janssen de auteur is, werd kort na het verschijnen van het boek ontdekt en bekendgemaakt.

Eind augustus verschijnt bij uitgeverij Balans Janssens nieuwste boek, De afrekening. Daarin beschrijft hij hoe de Nederlandse overheid onder immense druk een operatie op van ruim 32 miljard euro op touw zette om ING van de ondergang te redden.