08 december 2008

Isa Maron - Passiespel (2008)

Draaiende parels en tepelklemmen




(Door Peter Kuijt)

Er zijn literaire thrillers te over. Op elk beetje spannend boek wordt dat etiket tegenwoordig geplakt, ook al is het vaak verre van literair. Maar het is namelijk wel verrekte commercieel aantrekkelijk.

Een beetje lef kan de uitgeverij dan ook niet ontzegd worden, als die een heel ander stempel plakt op een misdaadroman, dat van 'erotische thriller'. Uitgeverij Karakter heeft het ondeugende predikaat meegegeven aan Passiespel van Isa Maron (1965), pseudoniem van een human resources-expert uit Amsterdam.

Volgens haar uitgeverij heeft Maron zich verdiept in de drijfveren van mensen die hun uiterste grenzen opzoeken. Hoofdpersoon Olga zoekt het in Marons thrillerdebuut ook in het extreme. Ze heeft op zich best een goed huwelijk, twee kinderen, een leuke baan en maandelijks koopt ze staatsloten. Alleen, dat seksleven met echtgenoot Michiel is een beetje ingedut. De midlife routine-erotiek speelt haar parten, zoals een van haar vriendinnen het uitdrukt.

Om het allemaal weer wat spannender te maken, besluiten de twee te gaan experimenteren. Hij koopt dildo Tarzan met een gezichtje en draaiende parels voor haar, de twee bezoeken de Kamasutra-beurs en in een parenclub duiken ze een dampende darkroom in. En het feit dat ze later via een chatsite een minnaar ontmoet, vindt Michiel aanvankelijk wel zo spannend en opwindend. Vooral als Olga na haar rendez-voustjes vertelt wat er zoal is voorgevallen.

Maar die minnaar blijkt wel van een portie stomende, kinky seks te houden. Hij introduceert Olga in de wereld van tepelklemmen, handboeien, leder, latex, slipjes zonder kruis, mondknevels, zwepen, Andreaskruizen en dikke, grote brandende kaarsen. Kortom, het edele tijdverdrijf dat sadomasochisme heet, waar pijn en genot samen optrekken.

De minnaar wordt een Meester en krijgt steeds meer invloed op Olga, die gaandeweg verstrikt raakt in zijn machtsspel. Tegen die tijd vindt Michiel het welletjes en eist van zijn echtgenote dat ze de relatie met de minnaar beëindigt. Maar Olga wil en kan niet meer terug...

Op haar website schrijft Maron dat het nog een hele klus was om haar boek uitgegeven te krijgen. Het ene na het andere bedankbriefje belandde op haar deurmat. 'De grond voor de meeste afwijzingen was de expliciete inhoud en vooral het feit dat er SM in het boek voorkomt', aldus de schrijfster.

Ach, zo expliciet is Passiespel nu ook weer niet. Goed, het is even slikken bij de passage waar een spijker een balzak doorboort, maar voor de rest heeft Maron zich niet aan al te veel vulgariteiten bezondigd. Het is hardcore erotica, beeldend gebracht, maar bijna 'kuis' opgeschreven.

Wat Passiespel node mist, is een verrassend plot. Er loopt door het hele boek een tweede verhaallijn mee over onverwerkte jeugdtrauma's, maar erg boeien, om in SM-termen te blijven, wil het niet. Een lezeres schreef enthousiast op Marons site dat je al vanaf de eerste bladzijde voelt dat het fout gaat lopen. Juist die voorspelbaarheid nekt deze thriller.

Isa Maron - Passiespel. Uitgeverij Karakter, 320 pag.

07 december 2008

Oud-student (nieuws, 2008)

DOCTOR LE CARRÉ

De Britse meester van de spionageroman, John le Carré, heeft dit weekeinde de titel van 'doctor honoris causa' gekregen van de Universiteit van Bern. Met dit eredoctoraat wil de universiteit een van haar oud-studenten belonen.

De 77-jarige David John Moore Cornwell, beter bekend onder de naam John le Carré, studeerde Duitse literatuur in Bern van 1948 tot 1949. Hij werd later agent bij de Britse geheime diensten, eerst in Bonn en daarna in Hamburg.
Spioneren was overigens niet de enige activiteit waarmee hij zijn geld verdiende, aldus de schrijver op zijn website. Hij verkocht onder andere ook nog handdoeken, waste olifanten en gaf les aan kinderen op een speciale school.

(Bron: De Morgen)

06 december 2008

Het oog wil ook wat (nieuws, 2008)

BETER GOED GEJAT DAN SLECHT BEDACHT



















De Amerikaanse schrijfster Stephenie Meyer (34), die in een droom op het idee van de liefde tussen een vampier en een mensenmeisje kwam, verkocht van haar serie 'Twilight'-boeken meer dan acht miljoen exemplaren. Ze hebben 143 weken achter elkaar op de bestsellerlijst van de New York Times gestaan.

In maart 2009 brengt uitgeverij Mynx een nieuw boek van Meyer op de markt, getiteld 'Zielen'. Het boek is, zoals Meyer het zelf zegt op haar website, 'sciencefiction voor mensen die niet van sciencefiction houden'. Het verhaal gaat over de 'gastziel' Zwerver die in het lichaam van Melanie kruipt en met al haar overweldigende emoties te maken krijgt.

'The host', zoals Meyers boek oorspronkelijk heet, heeft op de cover een foto gemaakt door fotografe Claire Artman. Ook de Nederlandse vertaling kreeg die foto mee. En laat die afbeelding nou als twee druppels oogvocht lijken op het plaatje dat staat afgedrukt op 'De beproeving', de tweede thriller van de Nederlandse schrijfster Tess Franke, die eerder dit jaar uitkwam. Kijk maar: de vorm van het oog, de oogharen, de wenkbrauw. De foto is gemaakt door... inderdaad, Claire Artman.

Smaken verschillen, maar kennelijk niet bij uitgeverijen.

Onder de maat (column, 2008)

DOODZWIJGEN

(Door Peter Kuijt)

Nog niet zo heel lang geleden kreeg ik een beetje bozig mailtje van Tomas Ross. Hij vroeg zich af wat me bezielde om de verkiezing van de beroerdste thriller van het jaar te organiseren op deze site. Hij meende dat ik me niet tot zoiets had moeten verlagen, want ik was toch zeker een liefhebber van het genre? Ross zag en ziet er totaal het nut niet van in. Hij is, zo schreef hij, meer van de school van Rinus Ferdinandusse, zoals bekend de grondlegger van de niet altijd vileinvrije VN Detective- en Thrillergids. Die vindt dat je slechte misdaadromans gewoon niet moet bespreken. Want een goede of slechte recensie heeft geen invloed op de verkoopcijfers. Maar een boek verkoopt niet als je er helemáál geen aandacht aan schenkt. Doodzwijgen dus, die rommel.
Ik ben níet van de school van Ferdinandusse. Het niet recenseren van slechte thrillers geeft een vertekend beeld. Er zouden alleen maar hosannakritieken in dag- en weekbladen en op boekensites verschijnen. De schijnwerkelijkheid is dan dat er alleen maar puike misdaadromans worden uitgegeven.
Ik moet me sterk vergissen, maar ik zie de laatste tijd overigens bijna alleen maar juichende thrillerrecensies in kranten en op websites. De vier- en vijfsterrenbesprekingen zijn niet van de lucht. Wat is er aan de hand? De boeken zijn toch niet allemaal zo goed? Waar zijn de kritische critici gebleven? Zijn ze allemaal aanhangers van de Ferdinandusse-filosofie geworden? Willen ze met gunstige oordelen nieuwe gratis recensie-exemplaren veilig stellen? Of willen ze zo graag geciteerd worden in advertenties en op boekomslagen? Wie het weet mag het zeggen.
Ik vergeet bijna de lezer gerust te stellen: Tomas Ross en ik kunnen overigens prima door één deur. Op de laatste jaarvergadering van het Genootschap van Nederlandstalige Misdaadauteurs werd onze begroeting amicaal bezegeld met een warme handdruk en een hartelijke schouderklop. Van enige rancune was geen sprake. Ross had weliswaar een quiz verzonnen waarin mijn allercharmantste teamgenote Marelle Boersma en ik finaal onderuit gingen, maar dat had meer met onze ondeskundigheid te maken dan met wraakgevoelens van de organisator.
Zo'n GNM-vergadering is trouwens een bijzondere bijeenkomst. Schrijvers, uitgevers en recensenten drinken, eten, informeren met niet geveinsde belangstelling naar elkaars werk en grappen en grollen met elkaar. Maar er is ook ruimte voor het kraken van serieuze noten. Zo werd het punt van subsidie aanvragen weer eens ter sprake gebracht. Niet alle schrijvende leden kunnen namelijk van de pen leven. Er zijn er die het naast hun beroep van timmerman, vinoloog, psychiater, journalist of communicatiemanager (moeten) doen.
Voor wat financiële steun dienen auteurs aan te kloppen bij het Fonds voor de Letteren. Maar die subsidieert alleen maar de Goden die zich aan de Literatuur wagen. De pennenlikkers van het Fonds beschouwen de tekstverwerkende grachtengordelianen als de enigen die verstand hebben van boeken schrijven. En dat coterietje waar nietsontziende critici als Arie Storm en Arjan Peters – die écht op de man of vrouw spelen – omheen cirkelen dient financieel in stand te worden gehouden.
Thrillerauteurs die een aanvraag bij het Fonds indienen worden steevast afgewezen. In de wetenschap dat ze nul op het rekest krijgen, zouden de GNM-leden toch massaal een formulier moeten inleveren en bij een afwijzing een motivatie eisen. Het levert geen geld op, maar zo scheep je het Fonds met een gigantische klus op. Zo zoet zal de wraak smaken. Zet ze maar aan het werk, die gasten.
En daarna doodzwijgen.
En vervolgens betere thrillers schrijven.
Want meer dan de helft van de Nederlandstalige misdaadboeken is in allerlei opzichten onder de maat. Dat is geen constatering van mij, maar van schrijver Felix Thijssen (75), de éminence grise onder de thrillerauteurs. In een interview met de Volkskrant, maar ook eerder tijdens een bijeenkomst voor Vlaamse misdaadauteurs, maakte hij gehakt van al die René Appel-na-apers, die karakters opzadelen ,,met vage lustgevoelens voor de buurvrouw in plaats van zich efficiënt bezig te houden met de vermoorde bankier''. Hij vindt het ook onzin om op elke thriller het etiket literair te plakken. ,,In Amerika staat op een boek van Michael Connelly 'a novel'. Die toevoegingen zijn flauwekul.'' Volgens Thijssen moet een thriller aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als ander literatuur. ,,Kijk maar naar Michael Connelly, Dennis Lehane of Harlan Coben.''
Stevige kritiek, niet van een domme recensent die met opzet op tenen wil staan, maar van een doorgewinterde auteur, winnaar van een Gouden Strop én een Diamanten Kogel.
Die zou ik niet durven doodzwijgen.
Trouwens, die slechtste-thriller-van-het-jaarverkiezing loopt voor geen meter.
Word ik soms doodgezwegen?

(Deze column staat ook op ezzulia.nl)

05 december 2008

Monaldi & Sorti - Het ei van Salaì (2008)

Schelmenroman over ontdekking van Amerika




(Door Mieske van Eck)

Het Italiaanse duo Rita Monaldi en Francesco Sorti heeft opnieuw een even vermakelijke als intelligente historische thriller afgeleverd. In Het ei van Salaì nemen beide historici de talloze (onzinnige) theorieën op de hak die de ronde doen over de ontdekking van Amerika. Hun hoofdpersoon is opnieuw de pleegzoon van Leonardo Da Vinci. Deze Salaì paart een grote minachting voor zijn pleegvader en meester aan een bijzondere voorkeur voor vrouwen.

We vinden deze vrouwenverslinder terug in het Florence van 1508, waar hij is opgepakt wegens moord, oplichting, diefstal en samenzwering tijdens een reis naar Rome. Daar moest hij in opdracht van zijn meester een zeldzame atlas zien te bemachtigen met kaarten van Amerika. Tijdens de jacht op het boek stuit hij op een complot, dat de waarheid rond de ontdekking van Amerika door Columbus uit de geschiedenis probeert te houden. Dat maakt het kopen van de atlas tot een levensgevaarlijke onderneming. Salaì heeft al zijn slimheid en slechtheid nodig om zijn opdracht uit te voeren. De rest van de tijd besteedt hij aan eten en drinken en vooral aan het versieren en liefkozen van vrouwen.

De schrijvers laten Salaì zelf zijn verhaal vertellen in een reeks verweerschriften, die hij indient bij de rechtbank om zijn gedrag en zijn leugenachtige optreden te verklaren. Hij doet dit in een scabreuze taal, die de rechters deelgenoot maakt van zijn spannende en erotische avonturen.

Het ei van Salaì is net als De twijfel van Salaì een amusante schelmenroman. De schrijvers slagen er uitstekend in de geschiedenis tot leven te wekken en de nieuwsgierigheid van de lezers te prikkelen. Toch begint de pleegzoon van Da Vinci in dit boek een beetje te vervelen. Zijn vrouwengeschiedenissen worden te voorspelbaar. Tijd voor Monaldi & Sorti om naar een nieuwe held om te zien.

Monaldi & Sorti - Het ei van Salaì. Vertaling Jan van der Haar. Uitgeverij Cargo, 304 pag.

Bron: Brabants Dagblad

Richard Dübell - De Duivelsbijbel (2008)

Zoektocht naar angstaanjagende bijbel




(Door Fred Monsma)

De Duivelsbijbel geldt als het grootste geschrift ter wereld, 112 bij 92 centimeter. Het is geschreven op 640 pagina's perkament, waarvoor 160 ezels hun huid zouden hebben moeten afstaan. Het boek weegt maar liefst 75 kilo. Alles bij elkaar goed voor een bijnaam: Codex Gigas. Tegenwoordig is het in het bezit van de Koninklijke Bibliotheek in Stockholm, waar het terecht kwam na in 1648 uit Praag te zijn meegenomen door plunderende Zweedse soldaten.

De eigenlijke naam dankt dit geschrift aan de paginagrote afbeelding van de duivel op één van de binnenbladzijden. Het middeleeuwse manuscript zou tegen het einde van de twaalfde eeuw zijn ontstaan in het klooster van Podlazice in Bohemen, een vandaag de dag vrijwel vergeten oord op drie uur (auto)rijden van Praag. Volgens een legende het werk van een monnik, die daarvoor werd ingemetseld in een kloostercel, waarna de duivel hem het 'heilige boek' zou hebben gedicteerd. Met andere woorden: levensgevaarlijk.

Om die angst voor de Codex Gigas draait het allemaal in De Duivelsbijbel zoals de titel luidt van een bijzondere historische thriller van Richard Dübell. De geschiedenis die de Duitse schrijver optekent, is ronduit meeslepend. Zijn roman is het eerste deel van een drieluik, waarvan in september van dit jaar in Duitsland het tweede 'hoofdstuk' uitkwam, Die Wächter der Teufelsbibel, terwijl van het slot de titel vaststaat: Die Erbin der Teufelsbibel. Wanneer de vertaling van het eerste deel een verkoopsucces wordt, zal de Nederlandse uitgever De Fontein die vervolgens vermoedelijk ook laten verschijnen.

Voor liefhebbers van historische misdaadromans heeft De Duivelsbijbel heel veel te bieden. Het verhaal speelt tegen het einde van de zestiende eeuw. Het begint met een gruwelijke slachting in 1572 bij een klooster in Bohemen. Eén van de hoofdrolspelers verliest daarbij beide ouders. Zo'n twintig jaar later speelt de rest van de geschiedenis, deels in Wenen maar voornamelijk in Praag aan het hof van keizer Rudolf van Habsburg (1552-1612), alleenheerser van het Heilige Roomse Rijk. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Rudolf het belangrijkste personage zou zijn, onthult de auteur in zijn nawoord, maar het is anders gelopen.

Onder bescherming van die Rudolf leeft in Praag ook een zekere Andrzej von Ahrenfels, de jongen die zijn vader en moeder moet missen. Als enige kan hij de keizer het verhaal over De Duivelsbijbel vertellen, waarnaar Andrzej's vader zijn hele leven heeft gezocht. Tezelfdertijd arriveert in Praag een andere jongeman, Cyprian, neef van de Weense bisschop Melchior Kheshl. In opdracht van zijn oom stelt hij alles in het werk om De Duivelsbijbel als eerste op te sporen.

Maar er zijn nog andere leden van de Katholieke Kerk, onder wie een gewetenloze Spaanse Dominicaanse monnik, aan het werk. In opdracht van hogere machten, die er heel veel voor over hebben - en bereid zijn over lijken te gaan - poogt ook hij die Codex Gigas in handen te krijgen. Het resultaat is een fascinerend historisch verhaal, barstensvol onverwachte ontwikkelingen, talrijke kleurrijke personages en een ongekende ontknoping.
Zie ook: www.teufelsbibel.de

Richard Dübell - De Duivelsbijbel. Vertaling Sonja van Wierst. Uitgeverij De Fontein, 559 pag.

Bron: Brabants Dagblad