28 april 2007

Anjet Daanje - Suikerbeest (2001)

Seriemoordenaar houdt van Marco Borsato




(Door Peter Kuijt)

Nederland heeft zijn eigen Hannibal Lecter. Hij heet Rutger Jaspers, werkt als salesmanager bij de Suikerunie en moordt in plaatsen als Bergen op Zoom, Krommenie (tweemaal), Oldenzaal, Assen, Vleuten en Geldermalsen. Hij heeft het voornamelijk voorzien op blonde vrouwen van in de dertig en mag graag Marco Borsato draaien als hij zijn slachtoffers een oor afsnijdt of een tepel laat opeten.

Wie denkt dat uitsluitend Britse en Amerikaanse auteurs het fenomeen 'serial killer' in fictie kunnen gieten, moet Suikerbeest van Anjet Daanje (1965) eens lezen. Zij beschrijft met verve de wederwaardigheden van deze Vinex-Ted Bundy.

En 'met verve' wordt bedoeld: tot in de gruwelijkste details. Hij snijdt vingerkootjes af, krult met een vlijmscherp mes mondhoeken op tot een glimlach, legt - bij wijze van gruwelijke grap - afgehakte oren en een verwijderde baarmoeder in de koelkast (naast de paté) en formeert een kralenketting van uitgerukte darmen rond de nek van een ongelukkige blondine. Vergeleken met Rutger Jaspers is Hannibal Lecter slechts een irritant sniffende misdienaar.

Wie de beschrijving van de eerste moord zonder al te veel kokhalzen heeft doorstaan en de uitdaging aangaat om door te lezen, heeft met het derde boek van Daanje niet altijd even aangename maar toch intrigerende leesstof in handen. Ze vertelt in de ik-persoon over Jaspers' enerverende reis door de polder, die schouderophalend een contractbespreking met Mars in Veghel combineert met een slachtpartij in Uden, zijn gevecht met het rechercheteam en zijn stompzinnige daderprofielen en z'n kat-en-muisspelletjes met de media, die hij zelfs foto's in full colour van zijn handenarbeid doet toekomen.

We komen te weten over hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen en worden verrast door een onverwachte afloop. En het benauwt als je bij tijd en wijle zelfs enig begrip kunt opbrengen voor Jaspers als slachtoffer van zichzelf. Tegelijkertijd is dat een compliment voor Daanjes schrijverschap.

Van de auteur verscheen drie jaar geleden de thriller De blinde fotograaf, een verrassend spannende roman, die opviel door een geraffineerde plot en een verfijnd soort beeldspraak. Met dat boek, zo meldt de achterflap van Suikerbeest, werd ze genomineerd voor de Gouden Strop. Een omissie, want Daanje haalde toen 'slechts' de longlist. De kans is niet gering dat ze met haar opvallende en knap verwoorde Suikerbeest dit jaar wel tot het selecte clubje genomineerden wordt toegelaten. De jury kan dit boek in ieder geval niet achteloos terzijde schuiven.

Anjet Daanje - Suikerbeest, uitgeverij Thomas Rap, 151 pag.

Patricia Cornwell (achtergrond, 2001)

Bestsellerauteur snijdt schilderij aan flarden




Schrijfster Patricia Cornwell heeft een schilderij van de Britse impressionist Walter Richard Sickert laten stuksnijden om bewijzen te krijgen dat deze Victoriaanse kunstenaar achter de seriemoordenaar Jack the Ripper schuilging. Experts uit de Londense kunstwereld bestempelden deze vernielzuchtige daadkracht van de Amerikaanse thrillerauteur als 'monsterlijke stommiteit'.

Cornwell, die honderden miljoenen heeft verdiend met haar thrillers rond patholoog-anatoom Kay Scarpetta uit Richmond, Virginia, is ervan overtuigd dat de in 1860 geboren Sickert tussen augustus en november 1888 in Londen vijf prostituees heeft vermoord.

De 45-jarige schrijfster kocht voor ongeveer acht miljoen gulden 32 van Sickerts doeken, een aantal brieven en zijn schildertafel. Daarop liet Cornwell, zelf een voormalig assistente van een patholoog-anatoom, een serie forensische proeven doen. Ze liet zelfs een team van Amerikaanse deskundigen naar Londen overvliegen om DNA-tests te doen op de brieven van Jack the Ripper. Op geen van de brieven werden DNA-sporen ontdekt. Evenmin werden zowel op de brieven als op de doeken en de schilderstafel bloedsporen of vingerafdrukken aangetroffen. Wel vond Cornwell één brief van The Ripper met hetzelfde exclusieve watermerk als het briefpapier dat Sickert gebruikte. Sickert had het briefpapier gekregen van zijn vader, die een kantoorboekhandel dreef.

Dat Sickert toch de gevreesde Ripper was, wordt volgens de schrijfster overtuigend bewezen door een reeks schilderijen die de kunstenaar maakte van een vermoorde prostituee in de zaak van de Camden Town Murder (1908), en de gelijkenis die de afbeeldingen zouden vertonen met de politiefoto's van de slachtoffers van Jack the Ripper. 'Deze schilder heeft niets geschilderd dat hij niet met eigen ogen heeft gezien', aldus Cornwell. Ze benadrukt dat op een schilderij van een vrouw met een parelketting de ligging identiek was aan die van de vermoorde Mary Kelly toen zij werd gevonden door de politie. Een ander doek toont een vrouw met een verminkt gezicht, gelijk, aldus Cornwell, het toegetakelde gelaat van de omgebrachte prostituee Catherine Eddowes.

Op de Amerikaanse televisie verklaarde de schrijfster dat het 'honderd procent zeker is' dat Sickert deze moorden heeft gepleegd. Sickert was 28 toen de misdaden werden begaan. En de meeste seriemoordenaars beginnen toe te slaan tussen hun 25e en hun dertigste verjaardag, weet Cornwell. Ze is ervan overtuigd dat een 'defect' in Sickerts penis en zijn onvermogen om kinderen te verwekken bij zijn drie echtgenotes hem tot een seriemoordenaar hebben gemaakt.

Kunstexperts in Londen hebben verontwaardigd gereageerd op het vernietigen van een Sickert-schilderij 'om deze idiote theorie te kunnen onderbouwen'. Twee handelaren die haar dit jaar doeken hebben verkocht, zeiden tegenover de krant The Guardian, dat Cornwell haar boekje te buiten was gegaan. Kunsthandelaar Andrew Patrick: 'Iedereen weet dat deze beschuldiging nonsens is. Sickert hield van drama op het doek en vond het leuk om met dreiging te 'spelen'.' Conservator Richard Shone, die in 1992 nog een expositie van Sickert in de Royal Academy samenstelde: 'Is zij zo geobsedeerd dat ze niets geeft om de vernietiging van een doek van zo'n goede kunstenaar?'

Maar Cornwell houdt voet bij stuk. Ze verwees op de Amerikaanse televisie naar hetzelfde watermerk dat ze aantrof op het briefpapier van The Ripper en Sickert. 'Als een jury dít had gezien, had ze gezegd: 'hang hem op'.'

Foto auteur: Peter Kuijt

John Grisham - De erfpachters (2001)

Honderd procent katoen




(Door Peter Kuijt)

In de winkels torenen de stapels met de nieuwste Grisham hoog boven alle romans uit. Boekhandelaren hebben enorme aantallen van De erfpachters ingekocht. En waarom zouden ze ook niet? Elk boek van de Amerikaanse oud-advocaat verkoopt zichzelf wel, ongeacht de kwaliteit. De harde cijfers bewijzen het. Voor het tweede achtereenvolgende jaar voerde John Grisham in 2000 de CPNB Top 100 aan. Hij verkocht ruim 184.000 exemplaren van De broederschap, het jaar daarvoor werden 182.646 paperbacks van 'Het testament' afgezet.

Ook dit jaar zal Grisham ongetwijfeld hoog eindigen, hoewel het nog de vraag is of hij kinderheld Harry Potter van J.K. Rowling zal weten te verslaan. Maar nu zullen de verkoopcijfers het nog meer van de naam 'Grisham' moeten hebben dan van de kwaliteit van het boek.

Grisham maakte naam met 'legal thrillers' als Advocaat van de duivel, De cliënt en De rainmaker. Net als met Het testament, dat een overigens onderhoudende mix was van een reisgids en een bijbelstudie, heeft hij ook nu het thrillergenre verlaten. De erfpachters is het breed uitgesponnen portret van de boerenfamilie Chandler die in het begin van de jaren vijftig het hoofd boven water probeert te houden in Black Oak, een klein gehucht in Arkansas. De bevolking daar probeert met man en macht een redelijk belegde boterham te verdienen met de katoenteelt.

Het is een hard bestaan. Dat blijkt meer dan duidelijk uit de woorden van de 7-jarige (en niet 8-jarige zoals op het omslag staat) Luke Chandler. Ook hij moet meehelpen op de velden van zijn ouders en grootouders, als de katoen rijp is om geplukt te worden. Omdat de familie Chandler de oogst niet in haar eentje kan binnenhalen, worden elk jaar seizoenskrachten ingeschakeld: Mexicanen en 'heuvelmensen', hele volksstammen hillbillies uit de Ozark Mountains, die zich voor 1 dollar zestig per honderd pond aan de Stoneville katoen wilden vergrijpen. Bij de Chandlers strijkt de heuvelfamilie Spruill neer op het erf.

Het is katoen voor en katoen na in De erfpachters. We volgen de kleine Luke op zijn dodelijk vermoeiende plukdagen. De enige lichtpunten in zijn bestaan zijn de 17-jarige Tally Spruill, op wie hij op slag verliefd wordt, het rode honkbaljack van The Cardinals dat hij van zijn plukcenten wil kopen, de jaarlijkse picknick met aansluitend de honkbalwedstrijd tussen de methodisten en de altijd verliezende baptisten, de brieven van zijn broer Ricky die in Korea dient en de vrije zaterdagmiddagen die hij stukslaat in Black Oak met de matinee in de Dixie en het volgen van de gebruikelijke knokpartijen tussen de 'lokalen' en de 'buitenstaanders'.

Als Luke de enige getuige blijkt te zijn van een vechtpartij met dodelijke afloop, lijkt Grisham de spanning enigszins op te schroeven. Maar dan is de roman al voor driekwart op dreef en ziet het ons wit voor de ogen van al die katoenbollen. De draai die Grisham vervolgens aan de plot geeft is teleurstellend en verre van verrassend.

De bestsellerauteur heeft met een erbarmelijk verhaal uitstekend weten aan te geven hoe erbarmelijk het leven van de bevolking in Black Oak is. Maar een goede roman heeft meer nodig: een intrige die de aandacht vasthoudt, bijvoorbeeld. De erfpachters' is honderd procent katoen. Maar de snit is saai en uit de mode.

John Grisham - De erfpachters. Uitgeverij A.W. Bruna, 346 pag.

27 april 2007

Mo Hayder - De behandeling (2002)

Stinkend, onsmakelijk en spannend




(Door Peter Kuijt)

Een seriemoordenaar die levende zebravinkjes achterlaat in de stoffelijke overschotten van zijn slachtoffers, was Het Grote Kwaad in het drie jaar geleden verschenen thrillerdebuut van Mo Hayder, Vogelman. Op plastische wijze beschreef de Britse auteur de misselijkmakende modus operandi van de geschifte dader. Naredromenliteratuur van de bovenste plank.

In een interview vertelde Hayder dat Vogelman werkte als therapie voor haar. Zo kon ze de schokkende ervaringen die ze had opgedaan als hostess in Tokio (een collega werd verkracht, ze zag een arbeider van een steiger vallen) verwerken. De tekstverwerker als psychiater.

Kennelijk was één gruwelijk boek geen therapie genoeg, want recent verscheen Hayders tweede, De behandeling, op zijn minst even afschrikwekkend als het debuut. Rechercheur Jack Caffery, de getroebleerde held uit Vogelman, krijgt hier met een onsmakelijk gevalletje van ritueel kindermisbruik te maken. Een complicatie hierbij is dat Caffery zelf nog steeds wordt achtervolgd door de nooit opgehelderde verdwijning van zijn broer Ewan, waarvoor hij zijn achterbuurman, de pedofiel Penderecki, verantwoordelijk houdt.

Plaats van handeling is een van oorsprong vriendelijke woonwijk in Zuid-Londen. Daar wordt een echtpaar aangetroffen dat op sterven na dood is: vastgebonden, mishandeld en compleet uitgedroogd. In hun huis hangt de stank van urine en erger. Hun achtjarig zoontje is zoek. Het lijk van het kereltje wordt later gevonden in een boom. Kinderen in de omgeving spreken van 'een trol', die leeftijdgenoten zou hebben lastig gevallen. Het is deze trol waarop Caffery verbeten jacht maakt.

Aan fijngevoelige zielen is ook deze 'Hayder' niet besteed, want andermaal laat ze geen gruwelijk detail onbelicht. Het is even slikken als een beschrijving wordt gegeven van een gerechtelijk laboratorium, waar ingewanden uit lichamen worden getild als linnengoed uit een wasdroger. Weinig vrolijk stemt ook hoe de 'trol' te werk gaat met zijn slachtoffertjes. Maar Hayder houdt de zaak tot aan het einde spannend. En eindelijk komen we ook te weten wat er met Caffery's broer is gebeurd, voor wie Hayder nog een mooi open einde heeft verzonnen. Dat vergoedt veel, zelfs de vele tikfouten en onmogelijkheden. Hayder verdient een betere redacteur dan degene die in de ene zin een hond een reu laat zijn en in de volgende een teef.

Mo Hayder - De behandeling. Uitgeverij Luitingh-Sijthoff, 384 pag.

Jonathan Lethem (interview, 2002)


'Ik zit in het hokje van het onverwachte'




Na romans met een hoog sciencefictiongehalte - vrouw wordt verliefd op zwart gat, een western op een andere planeet - publiceert Jonathan Lethem nu een hardboiled misdaadroman over een detective met het Tourette-syndroom. De Amerikaanse auteur mag graag aan branchevervaging doen. 'Het is heerlijk om stijlen af te breken en volgens mijn normen weer op te bouwen.'

(Door Peter Kuijt)

AMSTERDAM - Masturberen, een cheeseburger en muziek van Prince (met name het nummer Kiss), daarmee krijgt Lionel Essrog zijn verbale en fysieke tics onder controle. Lionel lijdt aan het syndroom van Gilles de la Tourette. Af en toe vloekt hij - 'Kus m'n kloten!' - maar meer nog herhaalt hij eindeloos woorden, die hij gaandeweg verbastert. 'Deursukkel! Deurklem! Sukkeldom!' En hij heeft de onbedwingbare neiging om mensen op de schouder te tikken en kragen recht te trekken.

Een hinderlijke aandoening, vooral als je, zoals Lionel, een detective bent en mensen moet ondervragen. Lionel werd, samen met drie andere leeftijdgenoten, ooit gerekruteerd door Frank Minna, die hen van een jongensinternaat in Brooklyn plukte. Minna smeedde het kwartet om tot een hechte opsporingsgroep, de Minna-mannen, die zich onledig moest houden met weinig betekenisvolle en schemerige zaakjes.

Het echte recherchewerk begint pas als Frank Minna bloedend wordt aangetroffen in een vuilcontainer. Minna sterft zonder te onthullen wie hem heeft neergestoken. De vier gaan op zoek naar de moordenaar van hun mentor, waarbij Lionel, ondanks zijn tics, zich ontpopt als een speurder die door roeien en ruiten gaat.

Het verhaal van de Minna-mannen wordt virtuoos, met verve en veel humor, verteld door de 38-jarige Jonathan Lethem uit New York, die in zijn land faam verwierf met romans met sciencefictiontrekjes als As She Climbed Across the Table en Girl in Landscape. Die boeken zijn geen SF pur sang, vindt Lethem. 'Ik heb van jongs af aan interesse gehad in diverse genres. Vanaf het begin ook wilde ik een combinatie maken van verschillende stijlen. Genres afbreken en naar mijn smaak weer opbouwen. Ik heb me nooit op mijn gemak gevoeld bij het indelen in hokjes. Dat vind ik te beperkend. De Minna-mannen is niet alleen een detectiveroman, maar er zitten ook elementen van andere genres in. Ik heb het geluk dat mijn uitgever én de recensenten het geduld kunnen opbrengen voor mijn rusteloze zwerven tussen de stijlen. Ze vinden het leuk dat ik telkens iets anders probeer. Het enige hokje waarin ik word geduwd is het hokje van het onverwachte.'

Impuls

Lethem kwam op het idee van een detective met het Tourette-syndroom na het lezen van twee essays van Oliver Sacks over deze aandoening. 'Na Sacks las ik ontelbaar veel andere boeken over Tourette. Daarin herkende ik iets van mijzelf. Ik heb de niet te stuiten aandrang om dingen op het papier te 'smijten'. Mijn gedachten over de wereld, de taal, niets uitgezonderd. De ontembare energie van Tourette-patiënten en het straatleven van Brooklyn leken mij een uitgelezen combinatie om in een roman te gieten. De rest was het uitvogelen van de verhaallijn.'

Voor het boek pleegde Lethem naar zijn zeggen enorm veel research. Maar praten met Tourette-lijders kwam pas na publicatie van zijn roman. 'Een schrijver moet ruimte overlaten voor zijn verbeelding. Het Tourette-syndroom is er een met vele gezichten. Het komt allemaal voort uit dezelfde impuls, de onbedwingbare neiging om iets ontwrichtends te doen. Maar het resultaat is vaak verschillend, geen enkel geval is hetzelfde. Toen ik een aantal bladzijden had geschreven met de 'stem' van Lionel Essrog, wist ik dat ik op het goede spoor zat.'

Nadat zijn roman in de VS was verschenen kreeg Lethem veel reacties op zijn boek uit kringen van Tourette-patiënten, die hun problemen erkend zagen. 'Men herkende zich erin. Hoewel ik veel overdreef vanwege het komische effect, kon men eruit opmaken dat het boek met veel warmte was geschreven.' Volgens Lethem hebben 'gewone' mensen totaal geen geduld met Tourette-lijders. 'Lange tijd is het gezien als een vorm van krankzinnigheid. En dat is verkeerd. Het is een neurologische aandoening, een chemisch proces. Maar het is vaak verwarrend voor mensen.'

In de held schuilt veel van Jonathan Lethem, beaamt de auteur. 'Zijn passie voor New York City, zijn nieuwsgierigheid en zijn prikkelbaarheid. In veel opzichten is Lionel Essrog een schrijver. Hij ziet zichzelf zo niet, maar veel gedachten die bij hem opkomen, zijn gebaseerd op mijn ervaringen op literair gebied. Zijn engagement met taal, zijn fascinatie voor taal, het feit dat hij zich soms de gevangene voelt van zijn aandrang om met taal te spelen.' En net als Lionel is Lethem een verslaafde van White Castles, kleine cheeseburgers. 'Als ze gezonder waren, zou ik ze voortdurend eten.'

In Groot-Brittannië werd Lethems misdaadroman bekroond met de prestigieuze Golden Dagger Award. Daarnaast ontving hij in zijn eigen land de National Book Critics Circle Award. 'Ik vind het interessant om te zien hoe in verschillende landen het boek werd beoordeeld. In de VS word ik niet bestempeld als een misdaadauteur. Voor deze roman kreeg ik namelijk dezelfde prijs die Philip Roth en Susan Sontag eerder mochten ontvangen. Ik ben zeer trots op de Golden Dagger en het feit dat het boek ook door collega-auteurs en thrillerrecensenten zo goed wordt beoordeeld.'

Liefdesliedje

Lethem werd geboren - in de februariweek van 64 waarin The Beatles op JFK landden - als zoon van een activiste en een beeldend kunstenaar. Die achtergrond hebben een 'huge' invloed gehad op zijn schrijverschap. 'Mijn ouders waren bohémiens, onconventioneel, en de mogelijkheid dat ik voor een carrière in de kunsten zou gaan, was levensgroot aanwezig. Kunstenaar worden was bij ons allesbehalve een exotische keuze, het was een onderdeel van het leven, dagelijkse praktijk. Veel mensen mystificeren het kunstenaarschap. Vinden het iets religieus: je doet 's nachts het raam open en de muze vliegt binnen. Voor mij was het een natuurlijk onderdeel van het bestaan.'

Aanvankelijk wilde Lethem in de voetsporen van zijn schilderende vader treden. 'Maar ik bekeerde me tot het schrijverschap toen ik 17 was. Impulsief voelde ik aan dat ik veel beter kon schrijven dan schilderen. Ik ben namelijk erg geïnteresseerd in tijd die verloopt. Op een schilderij is de tijd gevangen in een moment. In boeken kun je de geschiedenis laten voortduren.'

De Minna-mannen is als een liefdesliedje over Brooklyn, vindt Lethem, die er sinds 1996 weer woont. 'Ik wilde het gevoel weergeven van de mix van levendigheid, humor, conflicten, sarcasme en ongedisciplineerde gang van zaken, waaraan dit stadsdeel rijk is. Ik kom uit die omgeving en ik ben er verslaafd aan geraakt. Het is een wijk waar groepen immigranten tegen elkaar op worden geduwd, waar een prettige culturele chaos heerst. Ik haat buitenwijken waar dingen af zijn, of erg gesimplificeerd.'

De in Manhattan geboren Lethem verbleef vanaf begin jaren tachtig tien jaar in Californië om er aan zijn schrijverschap te werken. 'Ik ging er naartoe om mijzelf te ontdekken. Of afstand te scheppen tussen mij en thuis. Om een schrijver te worden, moet je experimenteren, tijd krijgen om fouten te maken. Ik had de indruk dat er in New York heel erg op me gelet werd. Dat ik me moest verantwoorden tegenover mijn familie en anderen. In Californië was ik anoniem en kon ik mezelf vormen als schrijver.'

Lethem heeft zich er nooit thuis gevoeld. 'Californië is heel bezadigd. Als er iets is van een tegencultuur, dan is die heel mild. Ik ben nog steeds verbaasd dat ik me er iets van herinner. Ik was in de ogen van Californiërs vaak ongeduldig, kwaad en vijandig. Ik leed aan een Lethem-versie van het Tourette-syndroom. Ik was altijd de luidruchtigste, moeilijkste en meest sarcastische persoon in een gezelschap. Dan vroegen ze aan mij: Is er iets? En dan zei ik: Niets! Ik ben gewoon mezelf!'

Lethem is verliefd op de stad die op 11 september 2001 zo zwaar werd getroffen. Direct na de aanslagen op de Twin Towers schreef Lethem de dramatische gebeurtenis van zich af in essays in de New York Times en in Rolling Stone. 'Het was een directe reactie op wat zich had afgespeeld en wat ik erbij voelde. Het was een traumatische ervaring. Ik weet niet of de aanslagen ooit onderwerp zullen worden voor een diepgaander boek. Weet je, journalistiek is de waan van de dag, romans groeien langzaam. Ik verliet New York en dat heeft me tien jaar gekost om een manier te vinden om erover te schrijven. Wellicht, over vijf of tien jaar zal 11 september in mijn fictie binnendruppelen. Wie weet.'

Het boek waar Lethem momenteel aan werkt, speelt zich opnieuw af in Brooklyn. 'Het is meer direct en eerlijker over mijn ervaringen tijdens mijn jeugd. De beperking in De Minna-mannen is toch het gemis van verschillende culturen. De karakters in mijn boek leven in een soort Italiaanse luchtbel. Waar ik opgroeide was het merendeel zwart en latino. De ervaring van het opgroeien in een blanke minderheid te midden van andere minderheden hoop ik in mijn volgende boek meer tot uitdrukking te kunnen brengen.'

Jonathan Lethem - De Minna-mannen. Vertaling: Dons Reerink. Uitgeverij Prometheus, 370 pag.

Tomas Ross (interview, 2003)

'Geef Baantjer een oeuvreprijs'




In een oplage van 408.500 exemplaren ligt vanaf 28 mei 2003 De Klokkenluider in de boekhandel, een cadeautje voor eenieder die voor ten minste 13,45 euro aan boeken koopt. Tweevoudig Gouden Strop-winnaar Tomas Ross verzon het true crime-verhaal dat is gebaseerd op de actiegroep RaRa. Ross en Rinus Ferdinandusse zijn tussen het grote aantal buitenlandse schrijvers tot dusver de enige Nederlandse auteurs die in naam van de stichting CPNB het geschenkboekje voor hun rekening mochten nemen. Volgens Ross lopen er in ons land genoeg misdaadauteurs rond die dat ook kunnen. 'Bovendien: het is ónze Maand van het Spannende Boek.'

(Door Peter Kuijt)

AMSTERDAM _ Koos de CPNB in 2002 voor het thema Zusters in het kwaad én voor het Britse thrillerechtpaar Nicci French dat het cadeauboekje Verlies schreef, tijdens de komende Maand van het Spannende Boek staat true crime centraal, misdaadverhalen ontleend aan de werkelijkheid. Aan Tomas Ross (pseudoniem van Willem Hogendoorn, 1944), grootmeester van de factie, fictie gebaseerd op feiten, vroeg de stichting het geschenkboekje te schrijven. Het werd De Klokkenluider, waarin Ross ingaat op de dramatische dood van de charismatische politicus Wouter Burger en de betrokkenheid van de actiegroep RaRa daarmee.

Ross: 'Toen ik de opdracht kreeg, dacht ik eerst: ik schrijf een boekje over de moord op dan wel zelfmoord van Mathilde Willink in 1977. Met dat onderwerp ben ik al een hele tijd bezig. Maar dat thema bleek toch te groot om in een beperkt aantal pagina's te vatten. Je mag slechts 94 pagina's vullen: te veel voor een kort verhaal, te weinig voor een roman. En 'Mathilde Willink' is een te mooi onderwerp om in zo'n beperkte ruimte weg te geven.'

'Het klinkt een beetje lullig maar aan veel van die geschenkboekjes kun je zien dat ze zich er toch gemakkelijk van af hebben gemaakt. Ferdinandusse heeft twee jaar geleden Dovemansoren geschreven, dat vond ik een heel aardig boekje. Maar als ik de pogingen van die buitenlanders zie, denk ik: jullie hadden nog een oud, stoffig verhaaltje op de plank liggen, waar de CPNB geld voor wil geven en bovendien is het aardig voor jullie naamsbekendheid.'

Volgens Ross, van wie eerder deze maand De zesde mei verscheen, gebaseerd op de moord op Pim Fortuyn, komt De Klokkenluider voort uit een eerdere poging tot een boek, waar hij geen bevredigende draai aan kon geven. 'Het ging over RaRa, de anonieme actiegroep die vanaf 85 tot begin jaren negentig aanslagen pleegde. Die groepering pleegde enkele aanslagen achter elkaar, onder andere op het huis van staatssecretaris Kosto. In die tijd beweerde de toenmalige BVD-chef Docters van Leeuwen met stelligheid te weten wie er achter de aanslagen zaten. De daders zouden snel gepakt worden. Niet dus.'

'Sindsdien hebben we niets meer van RaRa vernomen. Wat ik hieraan gekoppeld heb is het feit dat na de val van de Muur in 89 door linkse politici openlijk werd getwijfeld aan het nut van de BVD. Docters van Leeuwen, die lange tijd een buurman van mij is geweest, heeft tegenover mij bevestigd dat er toen paniek uitbrak bij de BVD. Hij had een kantoor met 800 mensen, wat moest hij ermee doen? Wat ik in het boekje suggereer, is dat de dienst op zijn manier RaRa nog een aantal jaren heeft laten 'voortbestaan'. Iets dergelijks zie je nu ook bij de huidige AIVD. Reken maar dat die blij zijn met de dreiging van het Al Qaida-netwerk, want het betekent het bestaansrecht van de dienst.'

Baantjer

Na Mode voor Moskou dat hij in 1989 voor de eerste editie van de Maand van het Spannende Boek schreef, is De Klokkenluider Ross' tweede cadeauboekje. Gevleid als hij is door de uitnodiging van de CPNB, kan de auteur het niet laten de organiserende stichting te bekritiseren in haar keuze voor de geschenkauteurs. Het zijn, op Rinus Ferdinandusse en Ross na, altijd buitenlandse auteurs die deze eervolle klus mogen klaren. 'Ik roep al jarenlang: het is ónze maand, waarom laten jullie het boekje schrijven door Frederick Forsyth of Dick Francis. Kies voor René Appel of Baantjer.'

Ross betwijfelt overigens of de Amsterdamse oud-rechercheur van het bureau aan de Warmoesstraat, die met zijn 59e boek opnieuw de boekentoptien aanvoert, ooit door de CPNB zal worden benaderd. 'Ik zal niet zeggen dat ik Appie Baantjer zo'n goede auteur vind, maar die man heeft wel enorme verdiensten voor het misdaadgenre in Nederland. Heel veel mensen lezen zijn boeken. Appie zal de eerste zijn die zegt: ik schrijf pretentieloos, maar hij heeft tenminste het pad geëffend voor de misdaadliteratuur. Hij zal nooit de Gouden Strop voor de beste thriller winnen, maar ik zou zeggen: geef die man een prijs voor zijn hele oeuvre. Hij verkoopt 120.000 boeken per keer, daar kunnen Appel en ik niet aan tippen.'

Ross heeft aan de CPNB gevraagd of met de keuze voor Ferdinandusse en hem dan eindelijk de trend van Nederlandse geschenkauteurs kan worden ingezet. 'Er zijn er zat die het kunnen doen. Maar directeur Henk Kraima wilde daar geen antwoord op geven. Hij zei alleen maar: 'Ik ken jouw klacht'.'