24 juni 2017

Moord en glimlach (column, 2017)

Oolbekkink, de vergetene



(Door Peter de Zwaan)

Er is hier en daar iets te doen over de Canon van de Nederlandstalige misdaadliteratuur. Die moet hoger op de lijst, die moet lager en dat stuk ongeluk hoort er helemaal niet op.

Alleen al om de reacties is het mooi dat de Canon is gemaakt.

De een vijf keer, de ander nul.

De nul treft een schrijver die ik nog steeds hoog heb: H.J. Oolbekkink, misdaadauteur in de tijd dat het sjiek was om je voornaam (Hendrik-Jan, ik had ’m ook weggelaten) niet op een omslag te laten afdrukken.

Hij overleed vijf jaar geleden en kreeg hier en daar een klein stukje ter herinnering.

De boeken die ik van hem heb, heb ik in het begin van de jaren zeventig aangeschaft en ze hebben alle verwijderingsronden (‘Bij nader inzien is die schrijver toch niet zo goed, naar de kringloop ermee.’) overleefd. Sterker, een enkele keer herlees ik een paar Tim Spender-romans. Omdat ze uitstekend in elkaar zitten, omdat ze in een soepele stijl zijn geschreven en omdat Oolbekkink tot de weinige misdaadschrijvers behoort die vinden/vonden dat er in een thriller gelachen mag worden. Dat zie je niet vaak: humor in boeken met moord- en doodslag. Het hoort, geloof ik, ook niet, want nooit heb ik een recensie onder ogen gekregen waarin humor leek te leiden tot een half sterretje meer. Moord en glimlach?, dat gaat je een ster kosten, vriendje.

Oolbekkink schreef over Tim Spender en over geheim agent Glotz. Zijn boeken zijn uitgegeven bij Born in Assen voor wie hij vertaalde, onder meer schrijvers die bij mij nog steeds in de internationale top 10 staan, zoals Donald Hamilton met zijn mooie serie over Matt Helm, en Richard Stark (is Donald Westlake) met zijn serie over misdadiger Parker.

Dat ze nog steeds te lezen zijn, komt door de vlotte vertaling van Oolbekkink die tot 1967 kunst- en filmredacteur bij Het Parool was. In ’67 dacht hij dat hij van zijn boeken kon leven, maar dat viel blijkbaar tegen, want in 1973 werd hij redacteur bij de Haagsche Courant.

In zijn jaren als fulltime-auteur schreef hij zich wel het schompes. Het is de zeer de moeite waard om zijn lijst met publicaties goed te bekijken: zeven boeken uitgegeven in 1967. Het jaar erna kreeg hij last van slapte op de markt: slechts zes boeken.

Dertien boeken in twee jaar, dan ben je goed bezig ... en dan weet je zeker dat je een veelschrijver wordt genoemd en dat niemand meer naar je omkijkt. Niemand, behalve hardnekkige liefhebbers zoals ik.

Het ijskoude goud, Gifbeker voor een wereldstad, De machteloze mafia, Grafschrift voor een koningin, het zijn titels waar je nu niet meer mee moet komen, maar die staan voor knap schrijfwerk.

Als de Canon ooit wordt verlengd moet H. J. zijn plekje krijgen.

Deze column staat ook op www.peterdezwaan.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten